Wil je op de hoogte blijven?
Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke maand een overzicht met de belangrijkste nieuwsberichten.
GROBBENDONK — Onlangs werd Jos Verlooy (29) voor de vierde keer Belgisch Kampioen in het jumping met zijn paard Killossery Konfusion. Verscholen tussen de bossen van Grobbendonk bereik ik via een smalle landweg de manège van Jos. In de ontvangstruimte, waar de muren volhangen met foto’s en de trofeeën en medailles schitteren, word ik verwelkomd met een warme glimlach en een kopje koffie.
Dag Jos, proficiat met je vierde Belgische titel. Van wanneer dateren de andere?
“Dankjewel! Mijn vorige Belgische titels waren in 2019, 2020, 2021 en nu dus opnieuw in 2025. Ik heb indertijd drie keer op rij het BK gewonnen. Het was de eerste keer dat een ruiter daarin slaagde en daar ben ik toch best wel trots op.”
Paarden zijn in jouw familie al een hele lange tijd een vaste waarde, toch?
“Klopt, mijn grootvader zat vroeger in de vleesindustrie, maar hij hield ook van paarden en handelde er toen soms ook al mee. Zo’n vijftig jaar geleden kocht hij dit domein als buitenverblijf. Toen stonden er vijf stallen en in het weekend kwam hij hier wat rijden om te ontspannen. Hij organiseerde nationale en internationale wedstrijden. Later begon mijn vader te rijden en naarmate hij beter werd, groeide het langzaam uit tot wat het nu is. Mijn vader heeft zelf ook grote wedstrijden gereden en was een echte jumpingkampioen. Uiteindelijk werd het zijn beroep en intussen hebben we hier 32 paarden staan. Aankopen en verkopen van paarden is onze hoofdactiviteit, maar die wedstrijden zijn natuurlijk heerlijk om te doen.”
Het is mooi om te zien hoe iets wat klein begon, uitgroeide tot een echte familiezaak.
(Knikt) “Als kind had ik er nochtans niet zo veel interesse in. Op school werd paardrijden gezien als iets voor meisjes, dus ging ik voetballen. Maar je rolt er toch in. Je ziet elke dag paarden – als je opstaat, als je gaat slapen – en dan probeer je het toch eens. Tot we op een dag een pony kochten en ik ook wedstrijden begon te rijden. Toen had de microbe mij te pakken. Ik was een jaar of tien, elf. Op mijn twaalfde kreeg ik een betere pony en begon ik wat te winnen. Dat gaf echt motivatie. Eerlijk: als ik toen niet al goed was geweest, weet ik niet of ik had doorgezet. Ik heb mijn eigen weg gezocht. Ik kreeg al snel het gevoel dat ik wel talent had voor de paardensport. Ik was niet slecht op het veld, maar in het zadel voelde ik me toch beter. Anders gezegd: als ik écht talent had gehad voor voetbal, dan was ik waarschijnlijk nooit in de paardensport terechtgekomen.” (lacht)
Zoals in elke sport lijkt ook hier discipline enorm belangrijk.
“Alles waar je goed in wil worden, vraagt hard werk en discipline. Het is natuurlijk niet zoals een tennisracket of een bal die je in de kast kunt laten liggen als je eens geen goesting zou hebben. Met paarden moet je elke dag oefenen. Ze moeten elke dag bewegen. Dat is voor mij het mooie aan deze sport: de samenwerking met een dier. Er ontstaat een band en je groeit als combinatie. Het mooiste gevoel is als je een jong paard beter ziet worden, stap voor stap. De resultaten zijn de kers op de taart, maar de echte voldoening komt van het traject: weten waar het paard vandaan komt en wat je samen hebt bereikt. Als een paard dat je als veulen kocht, jaren later springt op het hoogste niveau… Dát geeft echt een speciaal gevoel.”
Neem je altijd hetzelfde paard mee op wedstrijd of heb je er meerdere?
“Ik heb zelf zo’n acht sportpaarden die ik meeneem op concours. Die gaan natuurlijk niet allemaal elke week mee. De ene week die drie, de andere week die vier. Ik zet bepaalde paarden in voor specifieke wedstrijden. In jumping werken we met sterren, van één tot vijf. Eén ster is het laagste niveau, vijf het hoogste, met hindernissen tot 1m60 bij de vijf sterren, en natuurlijk ook meer prijzengeld. De jonge paarden beginnen in de lagere sterrenreeksen, terwijl de ervaren toppers zich meten op het hoogste niveau. Het blijft altijd een uitdaging om het juiste paard op het juiste moment in te zetten.”
Het lijkt me behoorlijk intens, die wedstrijden. Hoe zwaar is dat eigenlijk, voor jou én voor de paarden?
“Het is niet zoals voetbal of een vechtsport natuurlijk, maar het vraagt wel veel van je lichaam. Vooral de onderrug krijgt het zwaar te verduren. Daarom zijn stretching en oefeningen belangrijk en zie je veel ruiters met een rugbeschermer rijden. Elke week komt ook een veearts langs om alle paarden te checken. Hun welzijn staat altijd voorop en dat is iets waar we veel aandacht aan besteden.”
Je zei net al dat je vader ook jumpingkampioen is geweest. Vertel daar eens iets meer over. Is hij eerst begonnen met de sport en daarna in de aan- en verkoop of was het andersom?
“Nee, hij is begonnen met de sport. In 1984 haalde hij zelfs de Olympische Spelen van Los Angeles. Daarna begon hij ook paarden te verkopen. Dat werd uiteindelijk zijn beroep.”
Is naar de Spelen gaan ook een droom voor jou? En hoe werkt dat eigenlijk? Werk je dan met één specifiek paard naar zo’n moment toe?
“Absoluut. Ik heb al aan zowat alle kampioenschappen meegedaan: drie of vier keer het EK, drie keer het WK… Alleen de Spelen ontbreken nog. In 2021 mocht ik eigenlijk naar Tokio, maar een maand voor de start werd mijn paard Igor mank. Dat was echt wel even zuur. Je bent met twee hè, je moet allebei fit zijn. En je kunt dan niet zomaar een ander paard nemen — je bouwt lange tijd naar zo’n moment op met één specifiek paard. Met Igor had ik ook al twee medailles gehaald op het EK, het was toen echt het beste paard in België. De volgende kans is weer over drie jaar, maar daar is nu natuurlijk nog niks over te zeggen. Hoe dan ook, het blijft een mooie droom en iets waar ik graag naartoe werk.”
Voor we afsluiten, nog één vraag: wie is Jos eigenlijk, los van de paarden?
“Ik ben wel een sociaal iemand. Ook ik ga graag iets doen met vrienden: gewoon ontspannen, eens goed lachen, een pintje drinken op café. Het is belangrijk om af en toe los te komen van de paarden, om even aan iets anders te denken. Ik ga ook op vakantie en doe zeker niet aan alle wedstrijden mee. In de paardensport zijn er geen seizoenen. Het gaat gewoon het hele jaar door. Je kunt er dus permanent mee bezig zijn als je wil. Paarden zijn natuurlijk een groot deel van mijn leven, maar niet alles. Zoals gezegd, stopt het nooit helemaal. Ik wil altijd weten of alles in orde is en ook op vakantie laat ik me graag verwittigen als er iets speelt. Gelukkig is dat nog nooit serieus geweest, dus ik hoefde nog nooit eerder terug te komen. Ik probeer ook te genieten van momenten buiten de piste, hoe klein die soms ook zijn.”
Foto’s: Els Meulemans
Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke maand een overzicht met de belangrijkste nieuwsberichten.