Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Koen Peeters: de Kempen als bakermat voor de liefde voor taal

TURNHOUT/LEUVEN – ‘De maffia van Turnhout’, zo noemde Charlotte Van den Broeck de schrijvers van haar geboortestad vorig jaar in Onderox. Ook Koen Peeters (60) maakt deel van uit van dat notoir gezelschap. Vorig jaar schreef hij zijn veertiende boek: ‘Kamer in Oostende’. Op 12 februari stellen de twee auteurs hun boek voor in het Sint-Pietersinstituut, de school waar ze allebei de liefde voor taal vonden.

We hadden met Koen Peeters graag afgesproken in De Grote Post in Oostende. Zowel in zijn boek als in Waagstukken van Charlotte speelt architect Gaston Eysselinck die het gebouw midden vorige eeuw ontwierp een rol. Maar het werd dus Leuven, waar Koen al veertig jaar woont. “Klassiek verhaal”, zegt hij, “Na mijn studies Pers en Communicatiewetenschappen en Antropologie aan de universiteit ben ik er blijven hangen. En eerlijk is eerlijk, ik wilde ook wel weg uit Turnhout. Een gevoel dat al begon toen ik zestien was. Je kent dat wel: lange haren, liever in de Ranonkel zitten dan op school…”

De uren dat je niet in de de Ranonkel zat, bracht je die dan door in de Warandebibliotheek?
Koen Peeters: “Ik ging mijn eerste boeken lenen toen de bibliotheek nog in het Steentje op de Grote Markt was. Ik herinner me vooral de donkerte daar, een beetje de sfeer van Harry Potter. Er zijn periodes geweest dat ik elke dag een boek las. Op de rommelmarkt kocht ik alles wat ik vond over Kongo, zowel jeugdromans als de foute boeken over de koloniale tijd. Ik heb nog altijd drie meter ervan in mijn boekenkast en ben ook zelf een aantal keren naar het land gereisd. Daar is het boek ‘De Mensengenezer’ trouwens uit ontstaan.”

Je bent nu twee jaar voltijds auteur, na een loopbaan bij een bank. Vanwaar die late switch? Want met veertien boeken op je actief, kwam het verlangen om te schrijven toch al veel vroeger?
“Inderdaad, het heeft wel wat jaren geduurd vooraleer ik de stap zette. Mijn debuut was al in 1988: ‘Conversaties met K.’. Toen ik in 2017 met De Mensengenezer de ECI-Literatuurprijs won, was dat voor mij het moment om te zeggen: en nu ga ik serieuze dingen doen. Bij de bank wisten ze wel dat ik boeken schreef. ‘Grote Europese Roman’ stond in 2007 op de shortlist van de Libris Literatuurprijs en is in vier talen vertaald. Dat bleef niet onopgemerkt natuurlijk. Maar verder wisten ze weinig van wat ik na de kantooruren uitvoerde. Dat kleine territorium van het witte blad was mijn persoonlijk en soms ook kwetsbaar terrein.”

Turnhout, Leuven, Congo… Waarom dan een boek over Oostende?
“Doe er nog Gierle bij, waar mijn ouders in de bossen een vakantiehuisje hadden. We gingen er bijna elk weekend met het hele gezin naartoe. De liefde heeft me naar Oostende gevoerd. Mijn echtgenote die ik op de universiteit leerde kennen, is daar opgegroeid. Ik droomde er al enkele jaren van om een boek te schrijven dat samenviel met die stad. En Oostende heeft alles: zowel prachtige Belle-Epoque gebouwen als architectonische miskleunen. In de geschiedenis is het zowel een vissersdorp als een garnizoen-stad geweest. Om de grote figuren zoals James Ensor en Léon Spilliaert niet te vergeten. Maar Oostende ging niet altijd respectvol om met haar verleden. Wist je trouwens dat het geboortehuis van James Ensor in de Langestraat, midden in de stad dus, is afgebroken voor een zielloos wooncomplex? De verhalen sprokkelden we bij de Oostendenaars want ik heb het boek gemaakt samen met mijn goede vriend en kunstenaar Koen Broucke. De tekeningen in het boek zijn van hem. Hij is ook historicus en kende de feiten. Ik bekeek de stad meer vanuit een romantische ziel.”

Gingen jullie dan werkelijk bij de mensen binnen?
“Zeker, het is een geweldige manier om een stad te leren kennen. Drie jaar lang zijn we elke maand twee dagen naar Oostende getrokken. Als kwajongens liepen we rond en belden we aan bij hen waarvan we wisten dat ze ons iets konden vertellen. Van de Brusselse schrijver Eric de Kuyper leerde ik over het Oostends groen. Dat blijkt een kleur te zijn die in de Belle Epoquetijd overal gebruikt werd. Als je dat dan weet, zie je dat groen plots overal opduiken: op balustrades, chauffages, raamkozijnen… Ik heb er wat schilfers van meegebracht want ik ben helaas ook een verzamelaar. Om de verhalen een structuur te geven, las ik ‘La Vie mode d’emploi’ van Georges Perec. Dat is een magistrale roman over het dagelijkse leven in een Parijs appartementsgebouw met 99 flats. Ons boek telt 34 kamers.”

Toen je boek klaar was, had je het gevoel dat je Oostende helemaal kende of wilde je van sommige figuren echt álles weten?
“Alles wat ik in het boek schrijf, is ook echt gebeurd en gezegd. Of toch ongeveer. Ik vond de architect Gaston Eysselinck wel een bijzondere figuur. Voor dat verhaal is Charlotte Van den Broeck trouwens naar Oostende gekomen. Ik wist dat Charlotte bezig was met tragische architecten, het leek me fijn om haar erbij te hebben, ook omdat we allebei van Turnhout zijn. Architect Koen Van Synghel was er ook bij. Zoals we daar met ons vieren naar de magistrale De Grote Post keken en ons afvroegen waarom Eysselinck dat zo mislukt vond en nadien zelfmoord pleegde. Ook de begraafplaats waar hij voor zijn geliefde de grafzerk ontwierp, hebben we bezocht. Die is klein, scheefgezakt en zo schoon! We herkenden elk op onze manier de tristesse van het leven van Eysselinck. Als je daar dan met enkele gelijkgestemde zielen staat, kan je dat bemeesteren.”

Zou je eenzelfde boek over Turnhout kunnen schrijven?
“Mmm, niet meteen denk ik. Weet je, ik draag de Kempen een warm hart toe maar het is iets dat bij mijn jeugd hoort. En toch, als ik aan de taal hoor dat iemand van de Kempen is, dan wil ik meteen weten van welk dorp of stad hij of zij is. En probeer ik in dat dialect mee te praten, hoewel ik geen plat Turnhouts meer spreek. De Kempense tongval heeft een bepaald ritme, een schone zweem ook om over alledaagse dingen te spreken. Misschien komt dat doordat de streek zo perifeer is. Ze koesteren hun dorp en het karakter ervan. Ik las net het nieuwste boek van de jonge auteur Koen Sels: ‘Gloria’. Een aanrader, hij kan met heel kleine dingen een kunstwerk maken…”

Met welke herinneringen kijk je terug naar het Sint-Pietersinstituut waar je over enkele weken Kamer in Oostende gaat voorstellen?
“Van mijn schooljaren onthoud ik vooral de leraars Grieks-Latijn en Frans. Zij hebben mij de liefde voor taal bijgebracht. En het royale licht dat in de klassen binnenviel! Dat lokte mij gewoon naar buiten, de wijde wereld in. Aan wie ik graag een eresaluut wil brengen is Hilde Van Looveren. Zij is verantwoordelijk voor de bibliotheek van de school en zet in een vitrine de boeken van schrijvers waar ze trots op zijn. Leo Pleysier, Bart Meuleman, Vitalski, Koen Aerts,… Ze hebben allemaal op deze schoolbanken gezeten. We hebben zelfs een clubje. EGKS: Enkele Grote Kempense Schrijvers. Bart Van Loo is plaatsvervangend voorzitter, ik ben ere-secretaris. Het is een zelfverklaarde running joke waarmee we onszelf huldigen. Op boekvoorstellingen of recepties van uitgeverijen hangen we onmiddellijk bij elkaar. Ik herinner me ook een briefje op het berichtenbord: ‘Today is the first day of your life’. Een cliché maar ik ben dat nooit vergeten. Toen ik in de school onlangs een lezing gaf, heb ik het nog eens terug opgehangen. Omdat ik het een ontzettend wijze spreuk vind. Dit is een school, het begint hier!”

Meer info
Op woensdag 12 februari 2020 om 19.15 uur stellen Koen Peeters (Kamer in Oostende) en Charlotte Van den Broeck (Waagstukken) samen hun nieuwe boeken voor in het Sint-Pietersinstituut. Inschrijven vóór 1 februari op dubbeleboekpresentatie@spt.be.

Tekst: Suzanne Antonis
Foto: Astrid Steurs


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*