Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Charlotte Van den Broeck: “Architectuur is een schaalvergroting van taal”

TURNHOUT/ARENDONK/ANTWERPEN – Wat hebben de auteurs Charlotte en Walter Van den Broeck gemeen, ook al zijn ze geen familie van elkaar? Ze schreven allebei een boek waarin een architect de hoofdrol speelt. Op donderdag 7 november zullen ze op de Boekenbeurs met elkaar daarover in gesprek gaan. “En we zijn allebei van de Turnhoutse maffia”, zegt Charlotte. Maffia in Turnhout? Daar willen we meer over weten.

We spreken met Charlotte Van den Broeck (28) af in de Wasbar op het Antwerpse Zuid. Onder de arm draagt ze haar gloednieuwe boek ‘Waagstukken’, het eerste non-fictieboek dat ze schreef, nadat ze met haar twee gedichtenbundels al hoge ogen gooide. Kameleon (2015) won de Herman De Coninck Debuutprijs, ‘Nachtroer’ was goed voor de Paul Snoekprijs en een nominatie in de VSB Poëzieprijs. Saint Amour, lezingen in binnen- en buitenland, gastspreekster op de Frankfurter Buchmesse aan de zijde van Arnon Grunberg,… Het gaat hard voor een schrijfster die nog maar net 28 is. Of ze niet bang is dat ze niet uitverteld zal zijn als de interessantste leeftijd om te schrijven eraan komt? “De interessante leeftijd om te schrijven, bestaat dat wel?” Charlotte stelt evenveel vragen aan zichzelf.

Maar eerst die Turnhoutse maffia dus. Wie of wat bedoel je daar mee?
Charlotte Van den Broeck: “Dat is een boutade in de stad. Er zijn veel schrijvers die uit Turnhout komen. Denk maar aan Wim Paeshuyse, Tom Driesen, Jos Geysels… en uiteraard Walter Van den Broeck, een soort symbolische grootvader voor mij. Er moet iets in de Kempengrond zitten, denk ik. Ook al woon ik er niet meer, ik voel nog altijd een grote connectie met mijn geboortestad, hoewel ik ook elf jaar in Arendonk heb gewoond.”

Je jeugd bracht je door in Turnhout. Was literatuur toen al prominent aanwezig?
“Er waren weinig boeken in huis maar ik heb zowat de hele bibliotheek verslonden en elke drie maanden mocht ik een boek kiezen uit de ECI-catalogus. Maar ik was niet het meisje dat op haar kamer in een dagboek schreef. Ik ging naar het Sint-Pietersinstituut, waar ik goede herinneringen heb aan mijn leraar Nederlands Herman Van Gorp. We moesten voor zijn vak een eindscriptie maken en hij stimuleerde me om een eenakter te schrijven dat we daarna indienden voor het Elckerlijc-festival. Onze school heeft die wedstrijd toen gewonnen. Voor de Kunstbende waagde ik me aan een kortverhaal, of toch zinnen die iets vertelden. Toen ik het als laureaat voorlas, zei Tom Driesen me: ga gedichten schrijven, dat werkt goed op een podium. Dat sprak me wel aan want ik hield van toneel en voordracht. Maar mijn eerste gedicht schreef ik toch pas toen ik aan de Gentse universiteit taal- en letterkunde Engels-Duits studeerde.”

Wat was daar de aanleiding?
“Het was een heel concreet moment. In de les Duitse Letterkunde liet de professor een krakende opname horen van de Duitstalige Roemeens-joodse dichter Paul Celan. De man had in een  concentratiekamp beide ouders verloren en een heel pijnlijke relatie met de Duitse taal. Inhoudelijk stond het ondenkbaar ver van mij af maar vormelijk was het fenomenaal. Herhalingen, een denderend ritme, cesuren door zinnen af te kappen in het midden omdat hij het niet gezegd kon krijgen. Die opname horen, was voor mij zo’n donderslag dat ik in een mengeling van ontroering en bravoure zei: dat wil ik ook kunnen. Mijn eerste gedicht ging over de Hvannadalshnúkur, de hoogste niet vulkanische berg in IJsland. Ik heb het als proloog opgenomen in de bundel Kameleon die vooral gaat over naïviteit en vrouwelijkheid. Ik zag dat als een mooie geste naar mezelf omdat ik zo jong was toen ik publiceerde en ik wilde met dat gedicht mijn eigen naïviteit ten opzichte van de poëzie delen.”

Amper twee jaar later volgde Nachtroer al. Ik herinner me dat je eruit voorlas tijdens Gedichtendag. Het publiek was kapot van de acht gedichten over een aflopende relatie die je chronologisch van het einde naar het begin las. Wat is voor jou de meerwaarde om je gedichten op een podium te brengen?
“Het is een heel andere vorm van je werk. Kijk, ik ben 28 en heb mijn leven tot nu toe gewijd aan gedichten. Ik voel daar soms een grote nutteloosheid bij. Als ik zie hoeveel mensen concrete dingen verwezenlijken en sociaal werk doen, dan schaam ik me dat ik alleen maar gedichten schrijf. Ze worden weinig gelezen en nog minder verkocht. Als ik kan voordragen, dan kan ik soms iemand ontroeren of raken. Dan geef ik iets. Als er dan een collectief moment uit ontstaat, vind ik dat heel waardevol.”

En nu waag je je met ‘Waagstukken’ aan non-fictie. Een boek over het dramatisch einde van architecten, nadat ze een gebouw dat ze ontwierpen als mislukt zagen. Laat me raden: de inspiratiebron was het zwembad van Turnhout?
“Inderdaad, maar het boek gaat niet alleen over dat zwembad hoor. In mijn tienerjaren heb ik er wel eens voor een gesloten deur gestaan maar de problematiek was niet prominent in mijn leven aanwezig. Het is een urban legend in Turnhout en het resultaat is dat er na jaren van aanmodderen op dezelfde plek een nieuw zwembad is gebouwd, met waarschijnlijk dezelfde problemen. Toen ik in Wenen was voor een lezing, hoorde ik een bijna identiek verhaal over de ‘Wiener Staatsoper’. Ook dat gebouw zinkt weg. Niet in moerasgrond zoals in Turnhout maar omdat de sokkel niet hoog genoeg boven het straatniveau uittorent. De architect heeft zich verhangen. Daarna ben ik op internet gaan zoeken naar vergelijkbare verhalen. Echt, er bestaat een lijst van architecten die een einde aan hun leven maakten omdat een gebouw in hun ogen mislukt was. In totaal heb ik naast het Turnhoutse zwembad en de Wiener Staatsoper nog elf andere plekken in Europa en de Verenigde Staten geselecteerd. Ik heb ze ook allemaal bezocht om het hele verhaal te achterhalen.”

Als je dan ter plekke stond, ging je bewust op zoek naar wat er zo mislukt was?
“Ironisch genoeg zijn die gebouwen helemaal niet mislukt. Kijk eens naar het Postgebouw in Oostende, het is prachtig en toch pleegde de architect Gaston Eysselinck zelfmoord. Of Villa Ebe in Napels. Het kasteeltje is uitgebrand, heeft geen ramen maar het is nog altijd heel bijzonder. Waar het kon, liep ik met een grote omweg door de stad om daarna het gebouw ineens te zien verschijnen. Het was telkens een nieuwe fascinerende ontmoeting. Weet je, dat een architect iets als mislukt ervaarde, ging vaak over zelfkritiek, commentaar van anderen of zijn tijd ver vooruit zijn. De grote droefheid is dat er geen concrete mislukking aan te duiden is. Behalve dan die toren van L’Eglise Saint-Omer in Verchin (Frankrijk), die staat wel degelijk scheef. Wat me nog het meest verraste, is dat deze architecten hun leven gegeven hebben voor of omwille van hun werk maar dat ze in de geschiedenis vergeten zijn. Ken je het verhaal van de brug in Budapest, waar aan het begin twee gebeeldhouwde leeuwen met opengesperde muil staan die geen tong hebben? De kunstenaar zou in de Donau gesprongen zijn. Er zijn ongelooflijk veel van dit soort verhalen. Het zegt ook iets over hoe wij als westerse maatschappij omgaan met prestaties en mislukkingen.”

Is het ook toe te passen op schrijvers? Want daar gaat het in je boek toch ook over?
“Klopt, als schrijfster worstel ik ook wel eens met de vraag: is het goed genoeg? Ik voel wel een grote strengheid voor mezelf. Als ik vind dat een zin niet goed genoeg is, zal die het papier niet halen. Ik heb dat het meest bij gedichten. Voor mij moet daarin een soort van spanning zitten. Als die spanning onderweg lost, dan moet ik ook niet meer verder schrijven want dan valt de hele tekst toch in elkaar. Dat ‘Waagstukken’ ook over het schrijverschap gaat, komt omdat ik in dat hele schrijfproces tot de conclusie kwam dat mijn eigen onderzoek veel gelijkenissen vertoonde met de architectenlevens die ik onderzocht. Ik vond het laf om mijn eigen twijfels uit het verhaal te laten.”

Wat heeft je onderzoek je nog bijgebracht over architectuur?
“Veel. Voor ik hiermee begon, had ik weinig kennis van architectuur, ik heb alles moeten halen uit research. Ik vind architectuur ook een schaalvergroting van taal. Een bouwwerk is heel fysiek en bepaalt veel in de ruimte waar het is neergezet. Het is een manifeste daad waar moed voor nodig is. Er zijn ook veel mensen bij betrokken, zowel in het bouwproces als in de gebruikers nadien. Taal is veel minder concreet, soms zelfs een vergeefs roepen.”

Zowel jij als Walter Van den Broeck verbinden taal met architectuur. Is ‘Niets voor de familie’ zijn laatste boek denk je?
“Onder de Turnhoutse schrijvers is hij wellicht de meest onvermoeibare. Bij elk nieuw boek zegt hij dat het zijn laatste is. Gelukkig houdt hij zich daar niet aan. Ik kijk ernaar uit om met hem in gesprek te gaan.”

Heeft Walter het in zijn boek dan ook over het zwembad van Turnhout?
“Dat ga ik je niet verklappen, daarvoor moet je naar de Boekenbeurs komen!”

Meer info: ‘Charlotte en Walter Van den Broeck: geen familie, wel verwant’ is op donderdag 7 november 2019 om 18.30 uur te zien in de Letterenloft op de Boekenbeurs. www.boekenbeurs.be ‘Waagstukken’ is uitgegeven bij de Arbeiderspers.

Tekst: Suzanne Antonis
Foto’s: Bart Van der Moeren


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*