Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Toon Aerts: “Mensen beroeren met mijn sport vind ik fantastisch”

RIJKEVORSEL – William’s Place is letterlijk de place to be voor mijn afspraak met Toon Aerts (25), Belgisch kampioen veldrijden. Het café dicht bij de markt van Rijkevorsel is de thuisbasis voor de supportersclub van Toon Aerts en zijn broer Thijs. En die supporters hebben er een prima seizoen opzitten. Akkoord, aan de suprematie van Mathieu Van der Poel is nog weinig te beginnen. Maar de kloof met de absolute top is dit seizoen overbrugd. Sneller dan verwacht. Met de Belgische titel en de eindoverwinning in de Wereldbeker als gevolg.

Het café toont trots de Telenet-Fidea trui van Toon Aerts, mooi geflankeerd door de Belgische driekleur en de trui van Europees Kampioen. Die laatste werd twee seizoenen geleden behaald in het Franse Pontchâteau. Toen al werd duidelijk dat deze Kempenzoon geen ééndagsvlieg zou zijn. In zijn vierde seizoen als prof volgde dan de echte doorbraak. Met vijf overwinningen en dertig podiumplaatsen. Daar had hij voor het seizoen ongetwijfeld meteen voor getekend. Maar wat zijn de verwachtingen volgend seizoen? “Even vaak op het podium maar vaker op het bovenste schavotje”, lacht Toon. Ambitie is er voldoende. En ik merk vooral nog heel veel goesting.

Het seizoen zit er finaal op. En ongetwijfeld kijk je daar met veel plezier op terug. Maar eerst een welverdiende vakantie, neem ik aan? 
Toon Aerts: “Absoluut. De kampioenschappen vallen erg laat in het seizoen. Tot dan moet je echt geconcentreerd blijven en is er geen ruimte om even de teugels te lossen. Niet vergeten dat mijn seizoen in mei al start met enkele wedstrijden op de weg, waar ik toch ook al graag meedoe voor de ereplaatsen. Na een crossweekend in het hoogseizoen ben ik vaak ook stikkapot. Het is net iets meer dan op zaterdag en zondag een uurtje rijden. (lacht) De grote discussies hier aan de toog op zondagavond mis ik dus vaak. Helaas. Maar dat zou anders niet goed komen, denk ik. Al ben ik overtuigd dat het zeer plezante discussies zijn.” (lacht)

Wanneer wist de kleine Toon dat hij een veldrijder zou worden? 
“Waarschijnlijk vanaf ik kon fietsen. Al kende ik toen nog geen veldrijders. Maar samen met mijn broer hebben we onze tuin vaak omgeploegd met bergjes, zandbakken en modderstroken. Onze pa was een actieve mountainbiker en die fiets die op zondagmiddag helemaal onder de modder hing, intrigeerde ons enorm. Sindsdien is de fiets nooit veraf geweest. Al hebben we heel wat sporten gedaan. Maar het is wel zo dat ik al gauw merkte dat ik net iets sneller kon fietsen dan mijn klasgenootjes. En dat ging eigenlijk altijd beter en beter. Later zijn we dan gaan mountainbiken en hebben we hier en daar ingeschreven voor een wedstrijd, ook voor offroad duatlons die vooral in Nederland werden georganiseerd. Op de leeftijd van vijftien heb ik dan definitief de stap naar het veldrijden gezet. Ik heb er nog geen seconde spijt van gehad.”

Was je meteen de grote vedette?
“Niet echt. Ik heb heel weinig crossen gewonnen bij de jeugd. Mathieu Van der Poel en Wout Van Aert moest ik vaak laten voorgaan. Ook Laurens Sweeck heeft bij de jeugd veel wedstrijden gewonnen. Ik mag wel zeggen dat die kloof alvast gedicht is. Dit seizoen heb ik ook voor de eerste keer meer wedstrijden dan Wout gewonnen. Alleen om Mathieu bij te benen is er nog werk aan de winkel. Maar daar gaan we volgend seizoen alles aan doen.”

Behoort dat tot de mogelijkheden, denk je?
“We gaan dat alleszins proberen. Elke week opnieuw. Maar Mathieu is echt wel een uitzonderlijk talent. Hij kan het ongeveer allemaal. En technisch ziet het er ook altijd fantastisch uit. Maar dat neemt niet weg dat ik hem zoveel mogelijk het vuur aan de schenen wil leggen. Daarnaast wil ik ook optimaal profiteren van de wedstrijden waar hij niet aanwezig is. Zo heb ik dit jaar ook de Wereldbeker kunnen winnen. De eerste twee wedstrijden vallen vrij vroeg in het seizoen en Mathieu rijdt dan nog op de weg. Door het feit dat ik die allebei heb kunnen winnen, en de rest van het seizoen altijd top drie reed, heb ik toch het eindklassement kunnen binnenhalen. Dat geldt ook voor de kleinere wedstrijden die hij laat schieten. Die zijn ook belangrijk.”

Vrees je niet dat de overmacht van Van der Poel nefast zou kunnen zijn voor de spanning in de sport?
“Daar merk ik alleszins niets van. Er staan nog steeds enorm veel toeschouwers langs het parcours en overal is het feest. Ik hoor van organisatoren ook dat er dit seizoen opnieuw records gebroken zijn. Bovendien weet ik zeker dat mijn supporters een heel spannend seizoen hebben beleefd. Het klopt dat ze me ook liever wat vaker op het hoogste schavotje zien staan, net als ikzelf trouwens, maar de strijd om de tweede en derde plaats, man tegen man met Wout, was heel vaak spannend. En daar hebben ze zeker van kunnen genieten. Hetzelfde geldt trouwens ook voor de internationalisering van de cross. Dat zou zogezegd ook een probleem zijn. Maar dat ervaar ik zeker niet zo. Zoals gezegd is het veldrijden in Vlaanderen en Nederland één groot feest. Waarom zouden we dan naar de andere kant van Europa moeten vliegen om daar voor veel minder volk te koersen?”  

Je werkt graag met een vast stramien. Hoe ziet zo’n crossweekend er dan uit?
“Dat begint eigenlijk op vrijdag al. Dan ga ik steeds op hetzelfde tijdstip losrijden, evenveel kilometers, altijd wit brood met honing of confituur. Ik ben ook graag altijd rond een uur of elf op de cross. Opnieuw hetzelfde patroon. Zelfde eten, losrijden,… Voor mij werkt dat prima.”

En maandag?
“Uitslapen.” (lacht)

Hoe heeft je broer Thijs trouwens zijn eerste jaar bij de profs ervaren?
“Goed eigenlijk. Hij heeft veel progressie gemaakt. Zo was hij vijfde op het Belgisch Kampioenschap. Dat heeft hem veel deugd gedaan. Bij hem lagen de verwachtingen altijd een stuk hoger dan bij mij. Ik zei al dat ik bij de jeugd geen veelwinnaar was. Dus men had beperkte verwachtingen toen ik overstapte naar de profs. Maar Thijs werd in 2014 bij de Juniors wereldkampioen. Dan bekijkt men je toch helemaal anders. Ik denk dat hij nu bij de profs wel met minder druk kan rijden.”

Jullie rijden beiden bij Telenet-Fidea, de ploeg van Sven Nys. Kunnen jullie van hem nog veel opsteken?
“Zeker wel. Hij heeft om te beginnen de omkadering van de ploeg al helemaal aangepast. Je kan dat niet meer vergelijken met het team waar ik vier jaar geleden begon. Daarnaast heb ik daar, zeker in de beginjaren, nog heel veel van opgestoken op training. Zijn tips waren meer dan welkom. Hij was ook veel aanwezig, zowel op training als op de wedstrijden. Dat helpt enorm. Nu biedt hij vooral hulp voor bijvoorbeeld de psychologische kant. Hij heeft alles ooit meegemaakt. Dus je kan hem altijd vragen wat je moet doen met die plotselinge persaandacht, hoe met die druk om te gaan, wat doe ik als ik in een slechte periode zit. Ook dat is een belangrijk onderdeel van de cross.”

Naast de ploeg Telenet-Fidea zijn er ook nog de mensen dicht om je heen. Hoe belangrijk zijn zij?
“Zo mogelijk nog belangrijker. Het is eigenlijk je persoonlijke ploeg, met je eigen trainer, je eigen kinesist, je eigen mecaniciens. Goed overleg met de echte ploeg is dan absoluut nodig. Maar dat werkt momenteel prima. En je hebt ze allemaal nodig tijdens de cross. Allemaal in een andere functie. Niet alleen je vriendin en je ouders, maar vaak zijn er ook nog nonkels en tantes mee op pad. Heel plezant allemaal en ik heb heel veel respect voor hen. Want het is helaas vaak geen mooi weer tijdens de cross. Mijn trui als kampioen van België heeft drie kleuren maar voor elke kleur zijn er zeker vijf mensen die bijgedragen hebben aan het behalen van die trui. Eeuwige dankbaarheid heb ik daarvoor.”

En dan zijn er nog je supporters.
“Dat maakt het feest inderdaad helemaal compleet. Als ik zie wat ik als simpele coureur allemaal teweegbreng hier in Rijkevorsel. Haast iedereen leeft mee, gewoon omdat ze weten dat er iemand van hun dorp meerijdt. Een heel prettig gevoel vind ik dat. Bovendien zijn er ook meer en meer supporters van buiten Rijkevorsel. Ik vind het fantastisch dat ik daar met mijn sport aan kan bijdragen. Mensen komen bij elkaar, ze trotseren weer en wind, ze kijken televisie, ze rijden met de bus naar Denemarken voor het WK, ze komen hier aan de toog discussiëren. Schitterend vind ik dat. Ik hoop dat ik na mijn carrière dat nog op één of andere manier kan verderzetten.”

Tot slot. Welke tips kan je de jonge aspirant-veldrijders meegeven?
“Het is belangrijk om te weten dat je bij de jeugd niet alles hoeft te winnen om een grote carrière te maken. Ik ben daar zelf het beste voorbeeld van. Doe wat je leuk vindt. Niets moet, alles mag. Leg jezelf zeker niet te veel verplichtingen op. Maar zorg dat je het heel graag doet. En misschien het belangrijkste: Niet te veel pinten drinken in het weekend.” (lacht)

Bestellen we nog iets?

Tekst: Peter Meulemans
Foto’s: Bart Van der Moeren


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*