Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Peter Vervecken “België is geen topfavoriet op het WK"

MOL/ARENDONK – Dag op dag zeven jaar geleden stond Peter Vervecken als eerste assistent-referee nog naast het doel bij Barcelona tegen Real Madrid, de halve finale van de Champions League. Drie jaar later hing hij de schoenen aan de haak. Het gevoel dat hij alles had meegemaakt. Alles uit de carrière gehaald wat mogelijk was. Tijd dus om te stoppen. En daar heeft hij nooit spijt van gehad. Al blijft hij de Belgische competitie en straks het WK van dichtbij volgen. “Ik vrees dat de Rode Duivels geen hoge toppen gaan scheren. Al hoop ik dat ze het tegendeel bewijzen.” Op visite bij een nog steeds afgetrainde ex-topscheidsrechter.

Afgelopen weekend werd in de Belgische voetbalcompetitie het pleit beslecht. Club Brugge won de titel. Maar wie de laatste matchen van het seizoen toch ongewild de hoofdrol opeiste was de VAR, de ‘video assistent referee’. Geen match passeerde zonder dat de videoref zwaar op de korrel werd genomen. Buitenspel, geen buitenspel. Strafschop, geen strafschop. Duwfout, geen duwfout. Het scheidsrechterkorps leek het elke keer bij het verkeerde einde te hebben. Toch volgens de coach van de verliezende partij. Het lijkt alsof alle hulpmiddelen die ter beschikking worden gesteld enkel voor meer discussies zorgen. Volgens Peter Vervecken biedt een videoref in bepaalde situaties zeker oplossingen maar creëert het tegelijkertijd nieuwe problemen. Dat moet hij toch even uitleggen.

Peter, de videoref was na ongeveer elke match in Play-off I de gebeten hond. Terecht volgens jou?
Peter Vervecken: “Dat denk ik niet. Al blijven er altijd discutabele situaties. Ook na het duizend keer bekijken van de beelden, vanuit alle mogelijk hoeken. Het maakt de job van scheidsrechter niet gemakkelijker. Integendeel. Ik ben alleszins blij dat ik nu niet meer op het veld sta. In principe ben ik wel voorstander van het systeem maar ik heb er gemengde gevoelens bij. Het lijkt me niet altijd eenvoudig om met meer mensen en meer technologische middelen rekening te houden bij het nemen van de eindbeslissing. Ik had als ref graag de touwtjes zelf in handen. In het begin van mijn carrière waren we met drie, één scheidsrechter en twee grensrechters. Daarna kwam de vierde referee. Dat was zeker een goede aanvulling. Dan kwamen de oortjes. En nog later volgden de vijfde en zesde scheidsrechter naast doel. En nu is er dus de videoref. Je krijgt als ref veel meer input. En die is niet altijd rechtlijnig. Daarnaast is het verwachtingspatroon bij de mensen helemaal veranderd. Toen we vroeger nog met drie waren, mocht je je al eens vergissen. Ze vonden dat niet leuk maar ze konden het wel begrijpen. De scheidsrechter kan ook niet alles zien. Maar nu worden fouten niet meer getolereerd. Alle beelden zijn beschikbaar, met de beste technologie, zware investeringen, noem maar op. Je mag gewoon geen fout meer maken. Dus in dat opzicht is het zeker moeilijker geworden. Maar er is geen weg meer terug. Ze hebben voor deze vorm van arbitrage gekozen, net zoals bij rugby, tennis en nog andere sporten. De belangen zijn te groot geworden.”

Je hebt duidelijk geen spijt dat je er niet meer tussen staat.
“Klopt helemaal. Ik merk dat er heel veel veranderd is de afgelopen vier jaar. De regels worden voortdurend aangescherpt. Vergeet niet dat dit steeds een extra inspanning vraagt van het scheidsrechterskorps. De druk wordt alleen maar groter. Maar ook zonder al die aanpassingen zou ik geen spijt hebben. Het is goed geweest. Ik heb alles uit mijn carrière gehaald wat erin zat. Ook al was de job als referee ‘maar’ een bijberoep, je mag toch niet onderschatten hoeveel uren van je tijd het vraagt. Dat kon oplopen tot dertig uur per week. Naast je gewone job. Dat kon ik op een gegeven moment niet meer opbrengen. Mijn kabas begon bij elke wedstrijd een kilo meer te wegen. Dan weet je dat het tijd is om te stoppen. Ik heb daar nooit spijt van gehad. Ik stond veertien jaar aan de top in België en Europa. Dat is toch niet niks.”

Wat zijn je leukste herinneringen?
“Ik kijk zeker met veel plezier terug naar de bekerfinale tussen Club Brugge en Standard in 2007. De match speelde zich af in een uitverkocht Koning Boudewijnstadion. Er was veel animo bij de supporters en dat zorgde voor een mooi decor. Als ze dan voor de match het Belgisch volkslied spelen, dan weet je dat het om de knikkers gaat. Voor mij was dat een topmoment. Verder ben ik heel erg blij dat ik ongeveer alle toppers heb gefloten. Ook alle mogelijke derby’s. Enkel de Brugse derby heeft nooit op mijn lijst gestaan. Ik keek ook altijd erg uit naar de Europese matchen. Dat waren voor mij toch de balletjes in de soep. Je was dan vaak wel drie dagen van huis maar ik ben op die manier in de grootste Europese stadions geweest. Bernabeu in Madrid, Nou Camp in Barcelona, Wembley in London, noem maar op. Dat had ik als voetballer natuurlijk nooit kunnen bereiken. Daarnaast had ik de mogelijkheid om landen te bezoeken waar ik anders nooit zou komen. Azerbeidzjan, Kazachstan, Oekraïne, Faeröer zijn niet meteen landen waar je een citytrip plant. Naast de matchen was er altijd wel een beetje tijd om te sightseeën en die landen wat beter te leren kennen. Leuke herinneringen zijn dat.”

Ben je op één of andere manier nog actief binnen het voetbal?
“Niet echt. Ik doe bij Dessel Sport nog wel het ontvangst van de scheidsrechters. Maar verder niet meer. Toen ik gestopt ben, kreeg ik van scheidsrechtersbaas Frank De Bleeckere de vraag om toe te treden tot het korps van waarnemers en begeleiders. Die boot heb ik afgehouden. Het was op zich wel een mooie gelegenheid om binnen het voetbal actief te blijven. Maar ik wou eerst even rust. Ik kon daarna nog altijd op die kar springen als ik wou. Maar die goesting is niet meer gekomen. Mensen vergeten wel eens dat scheidsrechters ook topsporters zijn. Je wordt streng opgevolgd. Op zich had ik daar geen problemen mee. Maar als je op een weekdag voor een training naar Tubize moet, 264 kilometer in de wagen, dan is dat best een hele opoffering.”

Hoe ben je eigenlijk scheidsrechter geworden?
“Tot mijn achttiende voetbalde ik bij Verbroedering Arendonk. Ik had al snel begrepen dat ik niet de nieuwe Maradona was. (lacht) Toen ik tijdens een wedstrijd een dubbele armbreuk opliep, was dat voor mij het signaal om te stoppen. Mijn vader was arbiter, dus daar was ik zeker ook mee vertrouwd. Ik dacht: waarom niet? Op die manier kon ik toch actief blijven binnen het voetbal. Op mijn negentiende startte ik. Eerst bij de miniemen en kadetten. Vanaf toen zijn we aan de weg blijven timmeren.”

Binnen drie weken start het WK in Rusland. Wat verwacht je van onze Rode Duivels?
“Goh, ik denk dat het moeilijk wordt. Ik hoop, echt waar, dat ik de bal volledig missla maar ik vrees dat het voor onze Duivels in de kwartfinale tegen Brazilië of Duitsland stopt. De verwachtingen zijn uiteraard hoog. En terecht. Maar persoonlijk vind ik dat ze de afgelopen jaren tegen de grote landen te weinig overtuigend zijn geweest. En eigenlijk hebben we nog niet te vaak tegen grote landen gespeeld. Op het WK in 2014 tegen Argentinië. Eén-nul verloren. Twee jaar geleden vriendschappelijk tegen Spanje. Nul-twee verloren. In de voorrondes loopt het altijd goed en wordt er weinig weggegeven. En dat mag je van deze lichting ook verwachten. Maar het is op de tornooien zelf dat het moet gebeuren. En daar hebben ze op het Europees Kampioenschap in Frankrijk twee jaar geleden een grote kans laten liggen. Daar lag de weg helemaal open naar de finale en hebben ze zich tegen Wales flink laten ringeloren. Echt jammer. En ik vond het vooral spijtig dat ze er precies niet van wakker lagen. Ze zouden het dan wel op het volgend WK flikken. Ik blijf erbij dat ze daar een serieuze kans hebben laten liggen om Europees kampioen te worden. Al hebben we natuurlijk een fantastische ploeg. En wie weet zorgen onze Duivels toch voor de grote verrassing. Ik hoop het alleszins.”

Om af te sluiten. Het voetbal kampt met een tekort aan scheidsrechters. Wat moet er gebeuren om die trend te keren?
“Scheidsrechter is niet meteen het meest sexy beroep. Supporters, spelers, trainers kunnen zeer kritisch zijn. Je moet vrij veel opofferingen doen en het is best hard werken. Daarom is een goede omkadering echt wel nodig. De Belgische voetbalbond neemt daar zeker lovenswaardige initiatieven. Maar ook de clubs hebben een verantwoordelijkheid. Want het voetbal heeft nu eenmaal baat bij goede arbiters.”

Dat lijkt me een mooi citaat om mee af te ronden.

Tekst: Peter Meulemans
Portretfoto’s: Bart Van der Moeren


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*