Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Mon Van Gestel: held op het sportveld en in het luchtruim

BALEN – Kent u Mon Van Gestel? Neen? Dan wordt het hoog tijd om even de ‘Sporthistorie-encyclopedie’ uit de boekenkast te halen. Want Mon Van Gestel (88) was in zijn jonge jaren een vlot scorende Rode Duivel in een team met legendarische namen als Mermans, Anoul, Chaves, Mees en Coppens. Tussen de bedrijven door was hij op het atletiekveld in het verspringen en op de 100 meter primus inter pares. En zelfs het luchtruim stal zijn hart. Zo lag hij mee aan de basis van de opstart van het legendarische vliegveld Keiheuvel.

Wie kan nog bij wijze van aperitiefhapje een anekdote oprakelen over het feit dat hij in ’51 bij de Rode Duivels dribbelkont Rik Coppens mocht vervangen tegen Spanje? Om meteen twee keer de netten bol te zetten? Bij Mon Van Gestel staat het op zijn netjes bijgehouden lijst van mooie momenten in zijn leven. En tussendoor als atleet maar volop internationale prijzen binnenrijven als spurter en verspringer. Elf seconden over de 100 meter over de assenpistes uit die tijd zouden op het hedendaagse tartan de Bolts van deze wereld tot zware inspanningen dwingen. Zoek ze maar eens op, de atleten die in twee zo diverse disciplines uitblonken. Om geen twee jaar tijd te verliezen met zijn legertijd, koos Mon voor een opleiding als piloot. Meteen de kiem voor een passie die nu nog altijd kietelt. Sinds 2002 vliegt Mon niet meer zelf, maar geregeld meevliegen met jongens die hij zelf opgeleid heeft? Maar al te graag! Al klaagt hij tussendoor over zijn oude knoken, zijn ogen stralen als vanouds en zijn grijze massa is nog altijd puur kwikzilver.

Mon, jij moet in een leven als dat van jou toch ongelooflijk veel mooie momenten meegemaakt hebben?
Mon Van Gestel: “Och jong, de dag dat ik trouwde met Mary en de geboorte van je kinderen, dat staat natuurlijk bovenaan. Maar op sportief vlak heb ik er ook behoorlijk wat meegemaakt. Als voetballer speelde ik als junior tegen Nederland voor 30.000 toeschouwers. Ook op atletiekvlak ‘liep’ alles vlot. Zo werd ik Belgisch kampioen in het verspringen. Mijn selecties als Rode Duivel bij de nationale ploeg, waar ik de weg naar de netten wist te vinden, zijn uiteraard ook mooie momenten. Want we wisten met 5-4 te winnen van Nederland voor 60.000 toeschouwers. Met in de ploeg toppers als Mermans, Anoul, Chaves en Mees. Mijn tweede cap als Rode Duivel was tegen Spanje op de Heyzel. We speelden 3-3 gelijk en ik kon twee keer scoren. Een week later kreeg ik al mijn derde cap tegen Portugal in Lissabon. Daar werd het 1-1. Ook toen ik studeerde aan het Sportinstituut van de Universiteit van Leuven kon ik zowel op voetballende vlak als in de atletiek enkel maar mooie momenten beleven. Als je echt wil, kan ik zo nog wel even doorgaan. En dan hebben we het nog maar over voetbal, want ook in de atletiek beleefde ik als spurter en verspringer dingen die je nooit kan vergeten. Zo zijn we ooit met de universiteitsploeg naar Rome geweest waar we in audiëntie bij de Paus ontvangen werden.

Zijn er doelpunten die er voor jou bovenuit steken?
“Een drietal. Mijn eerste doelpunt in ereafdeling in een wedstrijd tegen Tilleur waar ik de nationale doelman Daenen met een kopbal verraste. En dat was zeker niet mijn sterkste kant. Dan mijn eerste doelpunt voor de nationale ploeg tegen Spanje toen ik met een trap van op 30 meter doelman Ramallets versloeg, toch de man die doelman was op de voorbije wereldkampioenschappen. En dan het doelpunt met Lierse waarmee we kampioen werden en terug naar de ereafdeling promoveerden.”

Met zo’n doelpunten voor een dergelijk publiek moet jij indertijd wat afgejubeld hebben op de grasmat?
“Ik heb van al mijn doelpunten genoten, als ik mijn rechterarm omhoog stak, was dat het teken dat ik van mijn goal genoten had. Maar als je dat nu allemaal ziet. Ze lopen na een doelpunt precies sneller dan tijdens de wedstrijd. Dan volgt er een buiksliding en stapelen ze zich allemaal op. Of ze doen een dansnummertje rond de hoekschopvlag. Dat ze een salto maken kan ik nog waarderen. Ofwel trekken ze hun voetbaltruitje uit om op hun onderhemdje een of andere boodschap te tonen. En naar het reservebankje sprinten om de coach te knuffelen, dat was – en hoort – er voor mij allemaal niet bij.”

Je verliet de universiteit en schreef je meteen in om piloot te worden in het leger. Een bewuste keuze?
“Ik had geen zin om twee jaar tijd te verliezen, dus koos ik ervoor om kandidaat-piloot te worden. In ’54 vervoegde ik de luchtmachtbasis van Koksijde waar ik met de eerste straaljagers vloog, de Meteor VII. Ik moest een verplichte noodlanding uitvoeren en in november van dat jaar was ik een gebrevetteerd militaire piloot. In ’58 verliet ik als militair piloot het leger en werd ik vliegveldcommandant op het vliegveld van de Keiheuvel in Balen.”

Daar heb jij een massa piloten opgeleid en/of geholpen met hun opleiding?
“Daar durf ik geen getal op plakken. Maar dat ik het altijd graag gedaan heb, dat durf ik wel stellen. Ik had een ‘job’, maar mijn ‘job’ was mijn ‘hobby’. Op het vlak van geluk geef ik mezelf zonder aarzelen 15 op 10. Gelukkig zijn is trouwens veel gemakkelijker dan de mensen denken. Ik ben trouwens een ‘zonnekind’, als ik op reis ga, moet de zon schijnen.”

Vlieg je eigenlijk zelf nog?
“Neen, in 2002 heb ik mijn brevet ingeleverd, in de verplichte keuringen had ik, gezien mijn leeftijd, geen zin meer. Maar ik heb me nog jaren geamuseerd met enkele van mijn laatste leerlingen. Met de ene vloog ik praktisch elke vrijdag heel België rond, op zoek naar private vliegvelden waar we geen landingsgeld moesten betalen en een goede pint konden drinken. Voor de andere was ons landje te klein en waren de afstanden groter zodat we moesten overnachten. En ik begin de gevolgen van mijn voetballoopbaan te ondervinden. Mijn knoken zijn versleten. Veel verder dan 100 meter geraak ik niet meer zonder rusten en met veel pijn. Als ik in een vliegtuig wil stappen, moeten ze tegen mijn achterste duwen. Omdat ik ruim in de tachtig ben, zit ik meestal thuis. Met de volle goesting van mijn vrouwtje. Mijn zetel heeft al een plaats gekregen, recht tegenover de tv. Daar heb je tijd zat, je kan er indutten maar ook veel nadenken. Over wat er is en wat er nog kan komen. Zeker als je al een tijdje door je ‘noodvoorraad’ jeugd heen bent.”

Ik laat me door de uitbater van de cafetaria van het vliegveld vertellen dat je toch nog een vaste stamtafel hebt.
“Ja, dat is waar we nu zitten! Elke zondag zakken we naar hier af. Dat is altijd lachen, anekdotes ophalen, kuren uithalen,… Een kaartje leggen ook. Momenten om naar uit te kijken.”

Je was ook erg betrokken bij de werking van Miramar, een opzet rond een oude zandput op de grens van Mol en Dessel. Hoe zit het daar mee?
“Daar hebben we alles verkocht. Ik ben niet mobiel genoeg meer. May en ik waren actieve vissers en goeie ook, wij wisten nogal wat roofvis te verschalken. Maar het gaat niet meer, vang jij ze nu maar!”

Om de fantastische persoonlijkheid van Mon Van Gestel te doorgronden een kleine reeks vragen. Wat voor iemand ben jij?
“Ik ben tamelijk honkvast. Waar ik mijn ‘draai’ gevonden heb, daar blijf ik komen. Als ik iets nieuws wil ontdekken, kan ik niet alleen gaan want alleen ga ik nergens binnen. Verder ben ik diplomatisch ingesteld. Emotioneel ben ik ook. Zowel bij triestige als gelukkige gebeurtenissen. Drukte vermijd ik. Ik ga nooit naar kermissen en files haat ik. Liever nestel ik me op een gezellig terras of in een landelijk cafeetje.”

Wat staat er in de ijskast?
“Een fris pintje en een fles champagne.”

Welke boeken lees jij?
“Ernest Claes! En boeken over de Tweede Wereldoorlog. En uiteraard alles over de luchtvaart.”

Een doorwinterde reiziger als jij, wat is de allermooiste stad die je ooit gezien hebt?
“Zonder twijfel Venetië en Wenen. De sfeer daar, de romantiek en de prachtige gebouwen. Ik ben er helemaal aan verknocht.”

Wat is jouw favoriete maaltijd?
“Schrik niet, maar ik kan goed koken. Al zeg ik het zelf. Als ik mijn benen onder tafel mag schuiven, lust ik wel een kreeftje. Of een zalige filet pur met goeie frietjes. En doe daar ook maar rundstong bij. Met champignons en een Madeirasausje, jawel.”

Waar heb je een afkeer van?
“Van hypocrisie! En van jaloerse mensen, van achterdocht en afgunst!”

Heb jij zelf een gebrek?
“Ik ben normaal spontaan, eerlijk en gepassioneerd. Opvliegend kan ik ook wel zijn, maar dat is rap over. En ik kan nooit ‘neen’ zeggen.”

Stel, dat van alle mensen die al lang voor jou overleden zijn – we wensen je nog enkele decennia toe – iemand zou mogen terugkomen, voor wie zou je dan kiezen?
“Lach niet, ik weet dat het niet vanzelfsprekend is vanwege de talloze moppen: mijn schoonmoeder.”

Welke eigenschappen stel je op prijs bij andere mensen?
“Eerlijkheid en eenvoud!”

Iemand met een dergelijk palmares, wat is nu eigenlijk je dierbaarste bezit?
“Mijn thuis, mijn vrouw en mijn kinderen. En natuurlijk alle nakomelingen.”

Tekst: Jef Aerts
Foto’s: Bart Van der Moeren


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*