Wereldreizigers

Clem Mertens, de man van 150 marathons

Gepubliceerd: 25 maart 2020  |  Door: Suzanne Antonis  |  Onderox editie: 198

BALEN — In 2014 hield een hardnekkige blessure marathonloper Clem Mertens (69) noodgedwongen enkele maanden aan de kant. Stilzitten was er echter niet bij. Hij schreef een boek over zijn loopverleden dat in 1986 begon en stelde verbaasd vast dat hij al twee keer rond de wereld had gelopen. In mei komt zijn 150ste marathon er normaal gezien aan, nota bene in het jaar dat hij 70 wordt.

We treffen Clem op een zondagmorgen thuis in Balen. Zijn loopschoenen staan op de mat. Hij is net terug van een loop van 25 kilometer over de Keiheuvel, de Most en langs het vaartje richting Leopoldsburg. “Prachtige omgeving om te lopen”, zegt hij. “Soms denk ik wel eens: waarom rij en vlieg ik de wereld rond om ver weg van huis de loopschoenen aan te binden. Hier is het even mooi.” Maar marathonbloed kruipt waar het niet gaan kan en voor zijn 150ste wedstrijd trekt Clem, als corona geen roet in het eten gooit, in mei 2020 naar Denver

Wat heeft je in 1986 aangezet om te gaan lopen?

Clem Mertens: “Beroepshalve was ik architect en leraar. Voor een sportieve hobby was er toen geen tijd. En als ik eerlijk ben, ook geen goesting. Het was mijn echtgenote Zjan die zich vragen begon te stellen bij onze manier van leven. We rookten allebei, aten gulzig uit de Vlaamse pot en hadden amper beweging. Dat moest anders en we zijn toen allebei gestopt met roken, gezonder gaan eten en bewegen. Dat laatste is voor mij enigszins uit de hand gelopen.”

Dus trok je je oude turnpantoffels aan en vertrok. Vond je snel loopmaatjes of maalde je de kilome-ters in je eentje af?

“Tot de jaren tachtig was lopen een competitiesport voor atleten. Maar toen uit de Verenigde Staten de rage van recreatief lopen kwam overgewaaid, schoten ook hier overal de joggings uit de grond. Elk weekend kon je in één of ander dorp gaan meelopen. Na de wedstrijd bleef je dan wachten op de prijsuitreiking. Tussen pot en pint leerde ik enkele mannen van Balen kennen die ‘s zondags op de Keiheuvel gingen lopen voor het plezier en ze vroegen of ik niet een keertje mee ging. Mijn allereerste echte loopwedstrijd was de ‘vier kilometerjogging’ op de Keiheuvel. Het viel zo goed mee dat ik na aankomst het rondje nog eens opnieuw liep. En ik ben niet meer gestopt.”

Wat heb je al die jaren bijgeleerd over deze sport?

“Oh, in het begin trainde ik steeds op dezelfde manier: hier achter ons huis drie kilometer afwisselend wandelen en lopen. Start to Run avant la lettre dus. Er was weinig variatie in dat schema. Door me aan te sluiten bij VABCO (nu Jogging & Marathon Team Mol, nvdr.), heb ik de kneepjes van de sport geleerd. Je kan trainen op je uithouding door lang en langzaam te lopen. Wil je je explosiviteit testen, dan loop je heel snel een korte afstand en je weerstand oefen je door een brug op en af te lopen. In mijn gloriejaren, van 1998 tot 2000, trainde ik tot 120 kilometer per week. Nu is dat maxi-maal nog 70 kilometer, wat voor een bijna 70-jarige niet slecht is.”

Je hebt nu 148 marathons, overal ter wereld, op je actief. Hoe is de sport geëvolueerd?

“Mijn eerste buitenlandse marathon liep ik in Athene, toch de bakermat van deze Olympische sport. Ik herinner me nog dat we bij wijze van drankbevoorrading aan de finish mochten drinken van een tuinslang. Bij de aankomst kreeg je een blanco diploma mee waarop je thuis dan zelf je tijd kon invullen. Dat is vandaag ondenkbaar. In Brussel heb ik nog geweten dat je een soort bankkaart meekreeg die je aan de aankomst in een gleuf moest steken om je tijd te registeren. Nu zijn het chips, ingebouwd in je borstnummer. Wat er nog veranderd is? De deelnemersaantallen zijn spectaculair gestegen en er lopen ook veel meer vrouwen mee. Trouwens alle sporten zijn gegroeid. Ik denk dat het te maken heeft met de welstand van de mensen vandaag. Er is meer tijd en meer geld om dingen te doen.”

Aan welke marathons bewaar je goede herinneringen?

“Er zijn er veel maar als ik naar het aantal kijk, staat New York op één. Ik ben er elf keer geweest en dat zal ook wel wat te maken hebben omdat mijn nicht Lief Sannen daar woont. Mijn bedje staat er dus altijd klaar. New York is ook een prachtige stad. De marathon is één van de Zes Major Marathons. Je moet uitgeloot worden om te kunnen meedoen. De andere Majors zijn: Boston (de oudste), Chicago, Londen, Berlijn en sinds kort ook Tokyo. Honolulu was ook bijzonder, al liep ik daar niet zo’n goede tijd. Het vochtige, tropische klimaat speelde me parten. Het was een marathon waarvoor we ons lieten sponsoren ten voordele van Artsen zonder Grenzen. En uiteraard mijn 100ste marathon, die ik in Balen kon lopen. Hij was speciaal voor mij georganiseerd en daar ben ik de club nog altijd dankbaar voor. Er is toen trouwens een loper uit Canada voor naar hier gekomen. Ik had hem leren kennen in Boston, toen we samen met de bus naar de startplaats reden.”

In je boek schrijf je dat je met de Guldensporenmarathon in juli een haat-liefdeverhouding hebt. Waarom?

“Omdat het een saai parcours is: één rechte lijn van Kortrijk naar Brugge waar je onderweg slechts zes dorpen passeert met toeschouwers die je aanmoedigen. Verder zie je er niks. Maar ik loop hem graag omdat het in juli is, doorgaans de maand dat ik het beste presteer.”

Over prestaties gesproken. Hoe zit het met de tijden?

“Mijn recordtijd staat op 2 uur, 56 minuten en 25 seconden. Uiteraard haal ik dat vandaag niet meer, ik doe er nu gemiddeld toch wel een uur langer over. Daarmee haal ik regelmatig een podiumplaats maar dat heeft natuurlijk met de leeftijd te maken. Per vijf jaar is er een aparte categorie. Ik zit dit jaar dus in de M70. Maar vroeger die magische grens van 3 uur overschrijden, dat was echt speciaal. Ik herinner me nog dat ik een keer 3 uur en 1 seconde liep, enorm frustrerend.”

Op welke kilometer kom je de man met de hamer tegen?

“Mmm, niet zo vaak. Soms heb ik het al lastig rond kilometer 17 en voel ik me wat flauw, ook mentaal. Soms komt het helemaal niet en kan ik zelfs versnellen in de tweede helft. Maar als ik onderweg niet meer kan rekenen, dan wordt het echt moeilijk. Ik bereken regelmatig mijn tussentijden en kan vrij accuraat inschatten wat mijn aankomsttijd gaat zijn. Vijf uur is het langst dat ik gelopen heb. Dat was de marathon in het Eifelgebergte in Duitsland. Veel bospaden, steenslag, klimmen en dalen… Tot hiertoe heb ik nog maar één keer opgegeven. Omdat ik griep had en toch vertrok, wat niet zo verstandig was.”

Wat gaat er elke keer mee in de koffer en wat breng je van elke marathon mee terug?

“Ik vertrek nooit zonder mijn klassiek ontbijt: Honey Pops gemengd met sojapudding. Het ziet er niet uit maar het werkt wel. Onderweg drink ik water en zuig ik permanent op dextrosetabletten. Na afloop bewaar ik altijd mijn borstnummer en uiteraard de foto’s die mijn echtgenote Zjan neemt bij de aankomst. Eén keer is zo’n foto cruciaal geweest omdat de chip mijn tijd niet geregistreerd had. De foto van Zjan was toen het bewijs.”

Is Zjan je steun en toeverlaat?

“Zeker, zij gaat regelmatig mee. Om me bij de start moed in te spreken, onderweg te supporteren, de finishfoto te maken en nadien mijn benen te masseren. Los van de wedstrijden zelf, ben ik haar enorm dankbaar omdat ze mij al die jaren heeft láten lopen. Want de uren dat ik mijn loopschoenen aanhad, was ik er niet voor haar en mijn familie.”

En nu op naar je 150ste marathon in Denver.  Wat verwacht je ervan?

“Dat ik de 42,2 kilometer in vier uur kan uitlopen en dat ik win in mijn leeftijdscategorie!”

Meer lezen van Suzanne Antonis
Meer lezen over
interviewsport

Meer Wereldreizigers

Wil je op de hoogte blijven?

Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke maand een overzicht met de belangrijkste nieuwsberichten.