Talent van eigen bodem

Paul Herygers: "Motard zijn, je mag dat niet onderschatten"

Gepubliceerd: 31 augustus 2023  |  Door: Jef Aerts  |  Onderox editie: 233

GEEL – Voor eventjes staat de motor netjes geparkeerd. Na duizenden, soms duizelingwekkende, kilometers in internationale klassiekers en recent nog de Tour. Paul Herygers (60) is dan de ervaren motard die op zijn duozitje cameramensen of journalisten laat meehobbelen over Toscaanse heuvels, Noord-Franse porfierkeien, tussen mensenhagen en doorheen razend beangstigende haarspeldbochten. Maar ondertussen staan de rubberlaarzen al klaar in de garage want het veldritseizoen is daar voor je het weet. Als medecommentator kent hij zijn gelijke niet, met scherpe blik en dito tong. En toch is er één ding waar hij nog zotter op is dan beide activiteiten samen.

Moest humor een item zijn dat in de Vlaamse Canon aan bod zou komen, tussen de vechtende beenhouwers en de kolonisatoren door, dan zou het legendarische schouderklopje waarop Paul Herygers Richard Groenendaal trakteerde, net voor hij in 1994 wereldkampioen veldrijden werd, een apart hoofdstuk zijn. Om die stunt te beschrijven werden en worden in de Noorse bossen duizenden sparren verwerkt tot krantenpapier. Wat volgde was een relatief korte maar felle carrière waar de zegeruikers als paternosterbolletjes aan mekaar geregen werden. Kort, want het duurde erg lang vooraleer Paul de stap naar de profrenners zette. Tegenwoordig wippen juniores vlotjes naar het profstatuut, Paul ging werken in de steenfabriek. ’t Was van moetes.

Hoe ben jij indertijd in het wereldje van het wielrennen gestapt?
Paul Herygers: “Eigenlijk is dat relatief simpel. Onze pa, Louis, was coureur geweest. Wij waren thuis met zes kinderen, drie meisjes en drie jongens. Eén van mijn broers, Gust, maar ook Staf genoemd, koerste ook en die deed dat goed. Hij won in 1973 zelfs de schaal Sels, in die tijd toch geen minne koers. Mijn broers wisten hoe moeilijk koersen was dus werd ik ingelijfd bij de destijds legendarische Wilma-ploeg. Maar omdat ze koersen voor mij destijds te moeilijk vonden, was de optie ‘word jij maar crosser’. Vader zei op een gegeven moment dat hij me eens ging laten inkeven (inkorven van reisduiven, nvdr.) voor een cross op de Galgenberg, aan het Zavelkot. Ik startte er met een gewone wegfiets, maar ik werd wel meteen tweede. En toen kreeg ik gelijk een echte crossfiets.”

Maar je reed ook je koersen op de weg?
“Zeker wel, ik heb gekoerst bij de nieuwelingen, bij de juniores en bij de liefhebbers. Pas op, dat was helemaal niet slecht, bij de juniores won ik ooit twaalf koersen op een jaar. En als liefhebber was ik een geroutineerd coureurke. Maar ik ben al vrij jong beide ouders verloren. En er moest brood op de plank komen, dus ging ik daarnaast ook gewoon werken. In de steenfabriek. En dat was verdorie hard travakken. Trainen dat was iets voor na de dagtaak, als ik al piepedood zat. Gelukkig had ik trainingsmaten zoals Jan Vervecken, een ware zegekaper in zijn tijd, die me ’s avonds opwachtten om mee te gaan trainen. Van die toestanden zou je makkelijk een film kunnen draaien.”

In tegenstelling tot tegenwoordig, waar je van de juniores naar de profs stapt, was dat bij jou zeker niet het geval. Jij ging werken, maar bleef wel koersen?
“Ja, in die tijd leefde ik me vooral uit in het veldrijden. Je had toen de competitie die ‘De Moedige Veldrijder’ heette. Dat lag me geweldig, daar heb ik wel vijftig keer gewonnen. Ik heb daar meegereden tot mijn 29ste. Maar ik was wel de jongen die niet graag door omgeploegde akkers en enkelhoge modderpoelen ploeterde. Daar werd zelfs nogal mee gelachen: ‘Als zijn kousen vuil worden, stapt hij af’. (glimlacht) Maar andere parcoursen, zeker door het zand, dat lag me geweldig, dat deed ik ook graag.”

Jij was ook een behendig fietser, truken van de foor incluis. Op kop een helling nemen en net bovenaan eventjes de benen stilhouden. De tweede moest dan uit zijn voethaken/ klikpedalen?
“Dat is zo! Die behendigheid heb je ook nodig, want vergis je niet, je concurrenten hebben dat ook! En ze konden mij soms ook opnaaien. Voor één of andere cross jende vader me dat Janneke Vervecken wel weer zou winnen. Ik repliceerde dat Vervecken niet zou winnen. In de koers zaten we snel op kop. Jan gebaarde met de ellenboog om over te nemen en ik reageerde dat ik slechte benen had en niet kon. Het tempo slabakte en ik denk dat we ergens in de dertigste plaatsen aankwamen. Maar Vervecken had niet gewonnen, ik had het voorspeld.”

Even tussendoor, het is toch ongelooflijk hoeveel wielertalenten er uit Lille komen. Ligt dat aan het putwater, ik insinueer écht niets?
“Maar dat is ook straf, eh! En nu ga ik mezelf niet meerekenen. Neem een Wout van Aert, Erwin Vervecken, Sanne Cant en verder in het verleden Guy Van Dijck, Guido Bellens… Mijn excuses voor alle toppers die ik nu vergeet. Neem een Eddy Copmans, wat een coureur, dat zou een geweldige prof geworden zijn! Dat is echt niet uit te leggen hoe dat komt, maar het is wel degelijk een feit.”

Ondertussen was je nog altijd geen prof, maar had je er het mountainbiken bij genomen?
“Dat deed ik eigenlijk wel graag en ik was er ook niet slecht in. Ik werd in die periode zelfs vijf keer Belgisch kampioen.”

En wie kan er, buiten Boonen en De Vlaeminck zeggen dat hij vier keer Parijs-Roubaix won?
(lacht) “Ikke! Die koers voor mountainbikers werd indertijd gereden over 180 km in diverse etappes en daar mocht ik vier keer op het hoogste schavotje. Het was ook zo dat sportdirecteur Gerard Bulens kwam aankloppen met de vraag om prof te worden. Ik zou starten voor het minimumloon met opties op meer. En ik hakte de knoop door. Ik stak meteen in mijn hoofd om Belgisch kampioen te worden in ’93 in Houthalen. Ik raakte er voorop met Danny De Bie. Die bood me 400.000 Belgische franken om te winnen. Nu was Danny een echte klepper en ook nog eens supersnel aan de meet. Die won massaspurten op de weg. Maar deze jongen weigerde en won de titel. Mijn beperkte startgeld steeg meteen naar 40.000 frank en ik was gelanceerd. Nu is het zo dat mijn profcarrière niet heel lang duurde. En toen het afgelopen was, ging ik terug naar de steenfabriek. En ik werkte als postbode en kwam in Herentals bij het toenmalige BLOSO terecht.”

Rentenieren doe je alvast nog niet. Je werkdagen lijken me behoorlijk gevarieerd. Hoe ziet jouw werkschema er tegenwoordig uit?
“Die werkdagen zijn toch wel behoorlijk pittig. Tot een half jaar geleden heb ik alles gecombineerd. Verlofdagen, overuren… Het was een puzzel van veel stukjes, maar het lukte. Nu komt de periode van het veldrijden er weer aan en dan ben ik co-commentator. In het verleden was ik daarbij ook nog parcourskeurder, maar daar heb ik afgebouwd. Je kan niet verantwoordelijk zijn voor het parcours én tegelijk commentaar geven.”

Hier krijg je vaak lof voor je gevatte, Kempense commentaar. Is dat naturel of zoek je ernaar?
“Dat is puur naturel. Ik heb heel veel geleerd van Michel Wuyts, maar die liet me ook de nodige vrijheid. Hij stuurde me wel een beetje, maar vierde ook de teugels wel. Als ik er dan eens een woord als keskeschiet uitflapte, werd dat getolereerd. En dan mocht ik uitleggen wat dat betekende. Maar die woorden en die uitdrukkingen floepen er spontaan uit.”

Eenmaal het veldritseizoen voorbij, zet je je op het zadel van een moto om fotografen en cameramensen op de juiste plek te brengen?
“Dat begint al in de Strade, en dan zijn er de klassiekers, dan volgt de Giro en daarna de Tour.”

In die laatste kregen de motards nogal onder hun voeten…
“En soms is dat terecht, maar je mag dat toch niet onderschatten. Want je wordt gestuurd door de regie. Soms denk ik zelf ook dat men beter helikopterbeelden gebruikt. Je wil je werk als motard doen, maar je wil ook zeker geen kindje of zo een zatte, springende kwakveus met zijn broek op zijn enkels en fladderend met een vlag overhoop rijden. En onderschat ook de afdalingen niet! Je kan de lijnen wel lezen, maar tegen meer dan honderd per uur, duikt er mogelijk altijd wel iets onverwachts op.”

Ik laat me vertellen dat je ondertussen een passie ontwikkeld hebt voor retrofietsen en -materialen?
“Zeker weten! Awel, dat is tegenwoordig het liefste dat ik in mijn vrije tijd doe, snuisteren op rommelmarkten en bij garageverkopen. Ik heb al een leuke collectie retrofietsen, ik zou al een winkeltje kunnen vullen. Ik heb al fietsen van Groene Leeuw en Alcyon. En pedalen en voetriempjes…”

Fiets je eigenlijk zelf nog veel?
“Nog gene halve meter, jong!” Recent heb ik me eens met mijn vriendin Sofie aan een ritje gewaagd. We zouden naar Olen rijden, maar we pikten Herentals nog mee, en toen Poederlee, Tielen en Kasterlee… Ze wil niet meer en voor mij hoeft het ook niet. ’t Is al druk genoeg.”

Midden in het drukke veldritseizoen ga je ook nog langs verschillende theaterzalen met een heuse show?
“Samen met wielerverslaggever Christophe Vandegoor ga ik inderdaad een aantal shows verzorgen die we ‘Crossen, vliegen, duiken en weer doorgaan’ gedoopt hebben. We gaan straffe verhalen, inside informatie-vanuit-de-feesttenten, combines en andere straffe stoten uit de doeken doen. En we worden ondersteund door een straffe live band die tussendoor het kot in brand zal steken.”

Meer lezen van Jef Aerts
Foto's gemaakt door Bart Van der Moeren
Meer lezen over
sportop visite

Meer Talent van eigen bodem

Wil je op de hoogte blijven?

Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke maand een overzicht met de belangrijkste nieuwsberichten.