Bijzondere plaatsen

Boek eert mooie Millegemse volksfiguren

Gepubliceerd: 24 maart 2026  |  Door: Jef Aerts  |  Onderox editie: 262

MOL – U weet ongetwijfeld waar steevast de beste hersenkronkels groeien? Jawel, met de elleboog geleund op de cafétoog. En later wordt het opzet uitgebroed rond de tafel van dezelfde drankgelegenheid. Het overkwam Rik Van Braband (71), Roger Gielens (82), Frans Curinckx (72) en Paul Sannen (71). Frans had in het heemkundige blad Molse Tijdingen een stuk geschreven over de Millegemse kleuterschool uit zijn papschooltijd. In nummer 31 deed ook Roger Gielens zijn duit in het zakje. En duivel-doet-al Rik Van Braband trok ook Paul Sannen mee in het bad om alles veel breder uit te smeren. Resultaat: een fraai boekwerk dat leest als een schelmenroman.

Een mens kan er gif op innemen dat elk Kempens gehucht, elk dorp, elke gemeente figuren herbergt of herbergde die leunen aan namen als Zwette Gusta, Dikke Beth, Suske van de Zwette of Peer Pijp. Om Janneke Vod en Juul van Platte Gijs niet te vergeten. Dergelijke namen herbergen zoveel prachtige verhalen. Eigenlijk zou men alom in het schrijvende veld de pen moeten slijpen om dit erfgoed op te tekenen. Want dan, pas dan, hebben we de ware, de échte Vlaamse Canon.

Roger, bij sommigen beter bekend als Roger van den Doomper. Jou kennen mensen als kunstenaar, maar vanop je stek in het Griekse Samos leverde je jarenlang pennenvruchten voor het Mols Pierement. Wat is het nu? Het oud zot?
Roger Gielens: “Jij kent Rik toch ook. Als je eenmaal een keer iets toezegt, blijft die aan je mouw trekken tot je ‘ja’ zegt. Dus heb ik mijn stylo nog eens bovengehaald. Ik moest wel een paar keer over de zolen van mijn wintersloefen krabben, maar eenmaal op gang, ging het heel vlot en was het enorm plezant.”

Bij het overlopen van al die namen, viel het me op dat ik toch stilaan dichter bij mijn doods­prentje sta dan bij het beeldeke van mijn eerste communie. Bij Jaak van Suske liet ik mijn plechtige communiefiets van Radnor nog herstellen!
Roger: “Jaak werkte destijds bij fietsenfabrikant Radnor in de Corbiestraat. Thuis had hij inderdaad een werkplaats waar hij aan fietsen en aan naaimachines sleutelde. Daarnaast hield zijn vrouw, Wis, herberg. Niks dan een toog en een paar tafels en stoelen. Wie iets te drinken bestelde kreeg altijd de keuze tussen ‘in een pint of uit ’t fleske’. Het merendeel van de klanten opteerde uit hygiënische voorzorg toch meestal voor ’t fleske. (glimlacht) Wis had ook af en toe passage van treinreizigers die op- of afstapten aan Millegem Statie. Daar stopte destijds de trein tussen Mol en Geel. Een aangestampt aarden perron met een afdak met asbestplaten. Als haar echtgenoot aan de toog zat, tikte hij altijd met de rand van zijn omgekeerde glas op de toog. En hij gaf gratis advies om niet ongewenst zwanger te geraken. Een aspirientje tussen de knieën van het lief geklemd houden was volgens hem een probaat voorbehoedsmiddel.”

Het lijdt geen twijfel dat jij ook een bewogen jeugd kende?
Roger: “Over mijn schoolse ervaringen en wat daarbij hoort, ga ik niet uitweiden wegens niet al te stichtend. Wat ik me nog wel goed herinner is mijn verliefdheid op Fanny, de dochter van Milleke Tieter (Verhoeven, nvdr.). Zo’n schoon kind. Ik zette mijn maten aan om koers te rijden, allemaal rondjes om langs Fanny te passeren als die buiten stond. Na een paar rondes haakte mijn peloton af, maar deze jongen bleef rondjes malen. Ik heb wel nooit een woord tegen Fanny durven zeggen. Wat ook leuk was, is dat ik leerde zwemmen aan het Selguis in Kievermont. Aan de turfkuil was een heus strandje waar nogal wat volk kwam. Een zwembroek kenden we thuis niet, dus poedelde ik in mijn onderbroek. Maar ik heb daar wél leren zwemmen.”

Een ander legendarisch figuur uit jullie boek is niemand minder dan Peer Pijp. Stond ooit naast de paus op het balkon in Vaticaanstad en was goed bevriend met o.a. Mobutu. Een hoofdstuk apart?
Frans Curinckx: “Zeker en vast! Peer Pijp woonde in wat hij de Peer Pijpstraat noemde. Het was een illegaal bouwsel, half uit hout en half uit steen, het dak was roofing. Langs een slijkerig karspoor. Stromend water was er niet, noch elektriciteit of riolering. Maar hij had wel ‘ne vijver’, een plas van twee vierkante meter die ook als badkamer diende. Veel treinreizigers die tussen Mol en Geel passeerden zullen daar vaak rare ogen getrokken hebben. Peer was een klein, spichtig manneke met continu een leren hoedje op. Wij denken dat hij daar zelfs mee sliep. Zijn kwebbel stond nooit stil! En hij vertelde de meest fantastische verhalen. Hoe hij op het Sint-Pietersplein ooit naast de paus op het balkon stond en de mensen vroegen: ‘Wie staat daar naast Peer Pijp’. (lacht) Ook zijn verhalen over zijn vriendschap met Mobutu zijn legendarisch. Na een autootje zo groot als een bolhoed, maakte hij zijn verplaatsingen vooral met een kleine tractor. Hij werd ook de grote man van de ‘Hanenkraai’, een lokale variant op de vinkenzettingen. Peer had daar alle functies: voorzitter, keurder, scheidsrechter… Voor en na de werken zat hij op zijn taboeretje aan de toog, één been onder zijn kont geplooid en kwistig verhalen spuiend over hoe hij in zijn hof bakharing ging zaaien. En dat zijn prei zo schoon stond in zijn ‘hof’. Polsdik, je kon er ne velo tegen zetten. Maar als er toch eens iemand langskwam om prei te kopen of te bewonderen, waren ‘die van den Bazaar’ juist langs geweest om al zijn schone prei op te kopen.”

Een ander eminent figuur is Marth, samen met echtgenoot Cleman de uitbaters van Het Vissershuis. Legendarisch om haar vrijgevigheid. Hordes fietsers parkeerden er voor gratis boterhammen. Wist je dat Marth zelfs familie van mij was?
Rik Van Braband: “Nooit geweten, je lijkt er zelfs niet op! Maar taalkundig zit het goed! Marth had vroeger met haar man Cleman Joris op de Hessie café het Vissershuis. Later verhuisden ze naar de ‘Zwette straat’ oftewel de Eksterstraat naar het geboortehuis. Bij Marth was het gezelligheid troef. Rond de stoof verzamelden allerlei soorten cafégangers. Maar ook van heinde en ver zakten groepen fietsers af naar haar stoof. Reden: Marth was ongelooflijk gul. Ze smeerde dagelijks vlot een tiental broden voor boterhammen met kaas of hesp. Die deelde ze gratis uit. Zelfs als ze zelf weg moest, zelfs naar het moederhuis, liet ze in volle vertrouwen de klanten zelf tappen.”

Een ander vermaard koppel in jullie boek zijn de gebroeders Vermeer?
Paul Sannen: “Fons en Charel waren twee jonkmannen. Bij hen kwam je niet vlot binnen. Wie aanbelde zag één oog en een neus, verder ging de deur niet open. Tot ze ooit eens twee zigeunerinnen op bezoek kregen, die kregen wel vrije ingang. De uitgedoste dames zongen, dansten en huppelden, tot groot jolijt van Fons en Charel. Maar achteraf bleek dat ze weg waren met al het geld uit de spaarsokken. Sindsdien is er bij hen nooit nog een vrouw binnengekomen.”

We kunnen ze niet allemaal opdissen maar tot slot: Janneke Vod ofte ook Janneke Zand?
Rik: “In het begin maakte Janneke zijn ronde met zijn wit paardje om fijn wit zand te bezorgen. Dat gebruikten de mensen destijds om de zondagse vloer mee te bestrooien en er fraaie tekeningen in te maken. Tapis Plain avant la lettre! Later ging Janneke ook bij mensen allerlei rommel ophalen. Dat woog hij in een zak aan zijn euzzel (een hangweegschaal, nvdr.). Maar je moest als klant bijzonder attent zijn, want als Jan moest wegen, had hij de gewoonte om zijn schoentip onder de zak te zetten, wat een verschil maakte. Bij elke discussie lulde Janneke zich er vlot uit.”

MEER INFO
Het boek ‘Millegem — mijn dorp in de Kempen’ is te verkrijgen via www.visitmol.be/webshop.

Portretfoto: Jef Aerts
Archieffoto: Leo Michiels

Meer lezen van Jef Aerts
Meer lezen over
literatuur

Meer Bijzondere plaatsen

Wil je op de hoogte blijven?

Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke maand een overzicht met de belangrijkste nieuwsberichten.