Wil je op de hoogte blijven?
Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke maand een overzicht met de belangrijkste nieuwsberichten.
DESSEL — Van bedrijfsuitjes tot romantische vluchten bij zonsondergang: ballonvaren is de voorbije jaren geëvolueerd van een exclusieve ervaring tot een populaire belevenis. “En met een beetje geluk ben je straks ook van jouw hoogtevrees af”, zegt ballonpiloot Samuel Helsen (31). Zou het echt? Onze reporter deed de test.
Elke maand neemt onze reporter een atypische, spannende of relaxerende activiteit onder de loep. Kritisch, maar met een kwinkslag rapporteert hij zijn wedervaren. Deze maand: ballonvaren.
Hoogtevrees: naar schatting 1,5 miljoen Belgen krijgen er mee te maken. In ruim de helft van de gevallen gaat het om een acrofobie: een afwijkende variant, zó erg dat zelfs het dagelijks leven erdoor wordt beïnvloed. Het doet denken aan mijn vroegere buurvrouw, die al panikeerde als een stoeprand hoger was dan gemiddeld. Waar ze die extreme hoogtevrees vandaan haalde is altijd een mysterie gebleven. Zelfs de dokter die haar onderzocht kon er geen hoogte van krijgen.
Zo dramatisch is het in mijn geval niet. De angst speelt me alleen parten op uitzonderlijke hoogtes. In een vliegtuig, bijvoorbeeld. Dan ga ik onnodig zitten filosoferen. Waarom doe ik dit? Waarom ben ik hier? En als God gewild zou hebben dat mensen vliegen, zou hij ons dan niet gewoon vleugels hebben gegeven? Tijdens mijn eerste lange lijnvlucht kreeg ik het daardoor Spaans benauwd, tot ik aan boord iemand ontmoette die mij tot kalmte kon bewegen. Johnny, herinner ik me nog. Wat was z’n achternaam ook alweer? Juist ja, Walker.
Om maar te zeggen dat ik niet bepaald sta te springen voor een ballonvaart. “Troost je, ik heb ook hoogtevrees”, verklapt Samuel Helsen tijdens onze eerste kennismaking. “Ik bedank voor hoge ladders, maar zolang je geen contact maakt met de grond, is er van hoogtevrees geen sprake.”
Helsen is geograaf van opleiding, schopte het tot weerman in bijberoep en stak in 2024 zijn vliegbrevet op zak, na een zware theoretische en praktische opleiding. “Als 6-jarig kind zag ik een ballon vliegen”, weet hij nog. “Ik wist meteen: dat wil ik later ook doen. In 2021 ben ik effectief aan de slag gegaan bij Bertels Ballooning. Eerst als verantwoordelijke voor de voorspellingen, dan als lid van de balloncrew en vervolgens als ballonpiloot.”
In die laatste hoedanigheid zal hij ons van Dessel naar Westerlo voeren, goed voor een vlucht van zestig minuten. Aan boord drie passagiers: Samuel, een fotograaf — ook met hoogtevrees, nota bene — en ik. Op onze ballon lacht een joekel van een smiley de wereld toe. “Fly and Smile is de slogan van het bedrijf”, zegt Samuel. “Het was Danny Bertels’ dochter die met dat idee kwam aanzetten. Intussen is die smiley ons handelsmerk geworden. Probeer maar eens niét vrolijk te zijn als je de kans krijgt om te vliegen.” Ik knik, al kost niét vrolijk zijn me in dit stadium van het nakende avontuur weinig moeite. Want wat als het straks fout gaat? Fly and Crash?
SAFETY FIRST
Geen ballonvlucht zonder veiligheidsbriefing. Helsen brengt ze met een beroepsernst die instant vertrouwen wekt. “Om te verhinderen dat we door een valse lift de lucht zouden ingaan, hangt de ballon vast aan onze wagen”, vult hij aan. “Ik beslis wanneer het koord wordt losgemaakt. Pas op: als er meer wind is, zou het instappen chaotisch kunnen zijn. Dan zou de ballon wel eens kunnen ‘dansen’, zoals dat heet.”
Het opstijgen lijkt een fluitje van een cent. De mand sleept niet eens over de grond, wat in hilarische video’s op YouTube vaak wél het geval is. De fotograaf en ik wippen aan boord met een flair die anderen jaloers zou kunnen maken. Verderop houdt een peuter ons met ingehouden adem in de gaten. ‘Zo cool, die twee mannen daar’, zie je het jongetje denken. Geef hem eens ongelijk.
Tweehonderd meter hoog is van vliegangst nog geen spoor. De lucht is staalblauw, de omgeving volstrekt geruisloos, het zicht bloedstollend mooi. Alleen de branders verstoren nu en dan de heilzame stilte. “Vliegtuigpiloten vliegen op basis van instrumenten, wij op basis van het zicht”, legt Samuel uit. “Een ballonvaarder moet altijd water en grond kunnen zien, om obstakels te kunnen detecteren. Denk dan aan een kraan en hoogspanningskabels. Of boomtoppen, die we soms raken tijdens het landen.”
“Laten we alvast de landingshouding oefenen.” Een geintje, denk ik eerst, maar dat is het niet. “Bij het landen gaan we mogelijk een paar keer tegen de begane grond aanstoten. Buig daarom lichtjes door de knieën en houd de lussen in de mand met beide handen vast. Na het landen mag je niet meteen uitstappen. Ik heb jullie gewicht nodig. Elk beetje windstoot zou ons weer kunnen doen opstijgen, vandaar. Dat scenario willen we vermijden.”
ULTIEME LANDING
Voor ons doemt het centrum van Mol op. Links lonkt Nederland, rechts de kerncentrales van Doel en de Antwerpse Boerentoren. “Het weer is optimaal. Elke dag is anders, elke vaart dus ook. De ochtenden zijn het mooist, met nevel aan de grond en de wereld die ontwaakt.”
Tijdens de vlucht sneuvelt een oude illusie. Als kind maakte ik er een ritueel van om fanatiek te staan wuiven naar elke luchtballon die voorbij kwam varen, in de veronderstelling dat de piloot mij zou zien. Niet dus. “De mensen zien óns wel, maar omgekeerd is dat meestal niet zo. Vaak zijn het maar stipjes in een uitgestrekt landschap. Wuiven heeft daarom weinig zin.”
Halverwege de vaart valt het mij plots op dat de piloot is vastgeketend aan de mand en de inzittenden — wij, dus — niet. Het doet vragen rijzen. “Bij een harde of snelle landing wil je als piloot niet uit de mand geslingerd worden”, legt Samuel uit. “Wij hebben onze instrumenten vast en kunnen ons dus niet vastklampen.” Even later valt mijn oog op een ander touw. ‘Da’s het mijne’, denk ik, ‘als het straks fout zou gaan.’ Weer een njet. “Dat is een droptouw, nodig als er geen wind meer is. Daarmee kan de crew ons manueel naar een veld of straat trekken.”
Geruststellend is het allemaal niet, al wordt het in de slotfase pas écht spannend. De variometer geeft een hoogte aan van — hou je vast — 430 meter. Dik drie keer de kathedraal van Antwerpen, reken ik snel uit. En ja hoor, daar komen de onheilsvragen weer. Waarom doe ik dit? Waarom ben ik hier? Is dit wel wat God gewild heeft? En waar hangen die verdomde noodlussen ook alweer? Veel ruimte voor hysterie is er niet. Samuel heeft het ultieme weiland gespot, navigeert de ballon kundig over een stel windmolens en zet het dalen in.
Ik zie de zogeheten touch-down al zo voor me: de mand die flink stuitert, ik zit in een crashpose, maar kranig rechtop en koelbloedig als altijd. En morgen? Straffe verhalen aan de koffiemachine, mijn vrouwelijke collega’s op de eerste rij. Adoratie alom. ‘Wat een kanjer. Wat een vent.’
Helaas, niks van dat alles. Samuel zet de ballon zonder slag of stoot aan de grond. We maken zelfs niet even slagzij. “Onze landing was perfect: rustig, aan een snelheid van 7 km/u”, luidt het. Nou, dat landingsrapport zal morgen op het werk alsnog worden aangedikt met de nodige manpower en bravoure. ‘Tweemaal tegen de vlakte geknald, bijna overkop, maar geen gil en zero schrammetjes.’ Geen kat die weet hoe het écht is gegaan. ‘En hoogtevrees, Peter?’ Hoezo, hoogtevrees?
MEER INFO
www.bertelsballooning.be
Foto’s: Wim Luyten en Samuel Helsen
Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke maand een overzicht met de belangrijkste nieuwsberichten.