Wereldreizigers

Irène Croes: “Het leven is goed op Aruba.”

Gepubliceerd: 26 oktober 2026  |  Door: Nele Caeyers  |  Onderox editie: 268

MERKSPLAS/ARUBA — “Ik groeide op in de Kolonie, dat is niet hetzelfde als Merksplas-centrum, hé!”, verzekert Irène Croes (78) me aan het begin van het gesprek. De kwieke dame kende een onbezorgde jeugd in de Kempen, maar de liefde stuurde haar naar de andere kant van de aardbol. Al 54 jaar lang is het eiland Aruba haar thuis.

We spreken eind jaren zestig van vorige eeuw! Alles buiten de Vlaamse grenzen was toen nog bijna exotisch te noemen voor de Kempenaren. Hoe kom je dan in Aruba terecht?
Irène Croes: “Ik doorliep inderdaad een vrij normaal parcours: opgroeien in Merksplas Kolonie, op pensionaat op mijn twaalfde, naar Vorselaar voor de regentaatsopleiding. Mijn roeping lag in het onderwijs. Ik had echter nooit gedacht dat dat niet gewoon in de Kempen zou zijn. Maar het lot liet me in de armen van een Arubaan lopen. Mijn man was toen student in Roosendaal en was met de scouts op kamp in Beerse. Tijdens een daguitstap trokken ze met de groep naar domein Veldenberg. En laat ik daar toevallig ook zijn! Zo hebben we elkaar ontmoet en nooit meer losgelaten. In 1970 zijn we getrouwd.”

Zijn jullie meteen naar Aruba verhuisd na het huwelijk?
“Neen, we hebben nog twee jaar in Nederland gewoond. Maar het was wel van in het begin duidelijk voor mij dat we toch minstens enkele jaren in Aruba zouden moeten gaan wonen. Mijn man kon in Nederland studeren met een beurs, maar één van de voorwaarden was wel dat hij na zijn studies minstens voor vijf jaar zou moeten terugkeren. Onze kinderen, een dochter en een zoon, zijn allebei nog in Nederland geboren, maar toen de jongste zeven maanden was, pakten we in en verkasten naar de andere kant van de wereld. Dat was oktober 1972, exact 54 jaar geleden. Het was in die tijd iets heel bijzonders, ik was echt talk of the town in Merksplas. Mijn moeder was er niet zo blij mee, zij zag haar enige dochter verhuizen. Ik snap het wel, hoor. Het waren andere tijden. Van videobellen was nog lang geen sprake. Mijn vader is jong gestorven, maar zijn zegen had ik wel. Voor mij was het vanzelfsprekend dat ik mee zou verhuizen. Dat was al voor ons huwelijk duidelijk.”

Aruba is een eiland in Zuid-Amerika, maar behoort nog altijd tot het Koninkrijk der Nederlanden. Is dat dan zo’n beetje Nederland op een tropische locatie?
“Wel, er wordt nog altijd Nederlands gesproken, al is dat de laatste jaren verminderd door de sterke migratie. Maar ook ons sociaal vangnet, gezondheidszorg en onderwijs zijn heel goed in vergelijking met andere landen in de regio. Bijvoorbeeld tijdens de coronacrisis konden wij rekenen op medicijnen vanuit Nederland, waardoor wij de situatie redelijk onder controle konden houden. Er is ook elke dag een KLM-vlucht naar Amsterdam. Dat maakt dat zowat alle Nederlandse producten hier ook in de winkels te vinden zijn. De band met Nederland is dus zeker nog sterk. Studenten kunnen ook makkelijker een beurs krijgen om in Nederland te gaan studeren. Maar zo gauw je buiten kijkt, weet je wel heel zeker dat je niet in Nederland bent. Aruba is een klein eiland van zo’n 180 km². De zee is nooit veraf. We kennen een vrij droog, tropisch klimaat. Het is hier het hele jaar door zomer eigenlijk. Winterjassen of waterdichte schoenen heb je hier niet nodig. Er passeert hier wel eens een storm, maar we zitten buiten de orkaanzone. Af en toe hebben we wat schade, maar dat blijft beperkt. Het zuiderse temperament zie je ook duidelijk in het verkeer. Hier ben je als fietser niet veilig op straat. Dat is dus ook duidelijk anders dan in Nederland.”

Je man keerde terug naar zijn geboorteland en familie. Kon jij goed aarden in de nieuwe omgeving?
“Ik ben mijn schoonfamilie heel dankbaar. Zij hebben ons heel goed opgevangen. Ik heb veel geluk gehad met hen. Mijn schoonvader sprak niet zo heel goed Nederlands, hij sprak Papiamento, de tweede officiële taal van Aruba. Dat was voor mij een goede reden om ook snel de taal te leren. Vandaag kan ik mezelf bijna een ‘native speaker’ noemen. Ik geef ook les in Papiamento aan immigranten. Ik kwam hier toe met twee kleine kinderen, een peuter en een baby. En ik wilde ook weer aan de slag gaan als leerkracht. Veel tijd om te piekeren of over heimwee na te denken had ik niet. Het leven ging voort. Vandaag slaat die heimwee wel eens toe als ik van mijn broer een foto krijg van zijn weelderige tuin in Weelde. Daar kunnen wij hier alleen maar van dromen. Maar tegelijk besef ik ook dat het België dat ik in mijn hoofd heb niet meer bestaat. Er zijn meer dan vijftig jaren verstreken, alles is veranderd. Ik heb nog een hele goede vriendin uit mijn jeugd, waar ik nog een goed contact mee heb. Maar stel dat ik terug in de Kempen zou wonen, zou ik die dan veel zien? Zij heeft ook haar leven opgebouwd, he. We hebben er even over gedacht om na ons pensioen de helft van het jaar hier te wonen en de andere helft van het jaar in België, maar daar hebben we snel vanaf gezien. Uiteindelijk kom je dan in een situatie waarbij je nergens echt thuis bent en ook nergens echt bij hoort. Het is goed zoals het nu is. Onze kinderen wonen allebei op Aruba, al is onze dochter nu even voor een doctoraat in Nederland. Van de zes kleinkinderen wonen er wel vier in Nederland.”

Kon jij gemakkelijk een baan als leerkracht vinden?
“Ik startte in 1973 met lesgeven hier en wij volgden toen het Nederlandse onderwijssysteem, dus zo’n grote aanpassing was dat niet. Ik gaf les tot 1991, daarna nam ik coördinerende taken op voor diverse projecten: eerst voor de hervorming van het lager en middelbaar beroepsonderwijs en daarna voor de integratie van kinderen van immigranten ouder dan zes jaar in het Arubaans onderwijssysteem. Dat project heeft geleid tot veel succesvolle studenten. Aruba kent veel migratie, vooral uit Zuid-Amerika. Het is hier al Spaans wat de klok slaat. En we hebben die mensen ook nodig. We zijn een echt toeristeneiland waar alles 24 uur op 24, zeven dagen op zeven blijft doordraaien. We hebben dus voortdurend drie shiften nodig in de toerisme-industrie alleen al en er zijn simpelweg niet genoeg inwoners op Aruba om die vacatures op te vullen. Maar dat betekent dat we die migrantenkinderen ook degelijk moeten opvangen. Sinds begin van de jaren 2000 is dat allemaal goed geregeld. Op mijn 56 ben ik op pensioen gegaan, toen was dat nog zo. Maar ik was nog veel te jong om thuis te zitten. Eigenlijk ben ik nu zelfs nog niet toe aan echt pensioen! (lacht) Ik vind het nog steeds erg! Ik bleef dus ook na mijn pensioen actief aan de universiteit. Vandaag geef ik nog taallessen en tai-chi. En ondertussen paste ik ook op de kleinkinderen, natuurlijk. Ik werd al ‘bomma’ op mijn 48ste. Bezig blijven houdt me jong.”

Een klein eiland met veel toerisme en migratie, hoe vangt zo’n land dat op?
“Terechte vraag. Ik moet er ook meteen bij zeggen dat Aruba geen zoet water heeft uit natuurlijke bronnen. Er zijn wel wat putten, maar ons drinkwater wordt gewonnen uit zout water. Dat is een duur proces, dus je kan je indenken dat water hier kostbaar is. Het is wel van prima kwaliteit, het is geen enkel probleem om kraantjeswater te drinken. Maar er is echt geen overschot, we moeten zuinig zijn. Dit wil ook zeggen dat er amper landbouw is. De kinderen hier kunnen echt denken dat het eten gewoon in de supermarkt groeit, want zij kennen geen velden vol gewassen. De coronacrisis heeft ons doen inzien dat wij eigenlijk veel te afhankelijk zijn van andere landen voor ons voedsel en sindsdien is het wel mogelijk om hier en daar verse sla en tomaten te kopen die hier gekweekt werden, maar dat gebeurt echt nog op heel beperkte schaal. Nu, sowieso kan het eiland nooit voorzien in alles wat de bevolking en de horden toeristen nodig hebben. Er meren hier cruiseschepen aan en dan komen er duizenden mensen tegelijk de stad binnen. Als de bevoorrading dan stokt om één of andere reden, dan heb je grote problemen, natuurlijk. Daar moeten we ons goed bewust van zijn. Maar al bij al is het goed leven op Aruba. Echte armoede kennen we niet. Er zijn hier natuurlijk wel arme mensen, maar van die schrijnende toestanden blijven we gespaard.”

Nochtans zitten jullie maar op een boogscheut van Venezuela, waar het allemaal heel wat minder vlot loopt.
“Ja, en dat merken we natuurlijk wel. We hebben best wel wat vluchtelingen uit het land. Het is heel jammer, want het is zo’n mooi land. Dat geldt voor de hele regio hier, trouwens. Je vindt hier paradijzen wat betreft natuur en cultuur. Het klimaat is grotendeels tropisch, dus dat maakt het leven makkelijk. Maar toch is er op veel plaatsen die strijd om de macht. Wij hebben wel wat gereisd in de regio en prachtige dingen gezien en meegemaakt. Het zou jammer zijn als dat verloren gaat.”

Komen jullie ook nog vaak op Kempense bodem?
“Mijn man is ondertussen 86, ik nader de tachtig. Het is allemaal niet zo makkelijk meer. Twee jaar geleden maakten we voor het laatst de oversteek. Onze dochter promoveert in 2028 in Tilburg, ik hoop dat het ons dan nog eens lukt. Gelukkig kunnen we via de digitale media in contact blijven met familie en vrienden. En het is goed zo. Ik ben hier heel gelukkig. Wanneer ik op zondag met mijn kinderen naar de zee ga, geniet ik met volle teugen. Mijn man is ook nog actief, hij houdt enorm van dammen en was zelfs ooit kampioen van Aruba. Zalig toch, zo oud mogen worden?”

Ben of ken jij zelf ook een Kempenaar in het buitenland? Laat het ons weten via redactie@onderox.be.

Foto’s: Irène Croes

Meer lezen van Nele Caeyers
Meer lezen over
gelukszoekers

Meer Wereldreizigers

Wil je op de hoogte blijven?

Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke maand een overzicht met de belangrijkste nieuwsberichten.