Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Hendrik Luyten: verhalenverteller in hart en nieren

MOL/LIER — Regisseur Hendrik Luyten (50) woont al 19 jaar in Lier, maar is geboren en getogen in Mol. Die Kempense opvoeding bleef altijd overeind. Zijn cv is haast te lang om te overlopen: De XII werken van Vanoudenhoven, ‘VDB. Ik ben God niet.’, Lotgenoten, Vive Le Vélo,… Samen met Koen Wauters volgde hij het afscheidsjaar van Tom Boonen, waarmee hij momenteel de laatste hand legt aan ‘Tom Fietst’, waarbij Boonen wereldwijd mensen opzoekt waarvoor de fiets essentieel is. Voor één keer halen wij Luyten zelf voor de schermen.

Hoe ben jij regisseur geworden?
Hendrik Luyten: “In het middelbaar ontdekte ik dat ik iets creatiefs wou doen. Dat was ook in de jeugdbeweging al duidelijk geworden. Daar speelden we al gretig toneeltjes voor de kookmoeders en de andere leden. Ik genoot daar echt van. Ik dacht: misschien moet ik wel filmschool gaan doen. Dat deed ik dan aan het Narafi in Brussel. Als eerstejaars mochten we daar stage lopen op de set bij de laatstejaars. Ik voelde me meteen thuis. Opnameleiding, dat boeide mij enorm. Hoe manage je een creatieve ploeg? Hoe houd je hen gemotiveerd? Die vragen triggerden mij toen al. Het deed me weer denken aan de jeugdbeweging, waar ik me ook zo’n vragen stelde. Regisseren is een beetje zoals de jeugdbeweging. Je bent de leider van een groep en je moet ervoor zorgen dat die groep het plezant vindt, dat iedereen zich amuseert. Ik ben geen autoritaire regisseur. Ik maak samen iets met andere mensen. Pas op, ik weet wel wat ik wil hoor. Je werkt altijd in functie van een eindresultaat. Maar ik bekijk het wel echt als een groepswerk.”

Ging je meteen aan de slag als regisseur?
“Nee, ik was eerst klankman bij een kleiner bedrijfje. Ik was toen zo’n 22 jaar oud. Ik reisde de wereld rond en werkte zo met veel verschillende regisseurs. Ik kon daar stelen met mijn ogen. Dit is echt tof! Of net omgekeerd. Dit zou ik anders oplossen. Een heel leerrijke periode. Maar ik wou niet eeuwig klankman blijven, ik wou de stap zetten naar regie. Ik heb dan ontslag genomen, zonder dat ik enige vooruitzichten had op werk. Er zat geen idee achter, maar ik vond dat ik die stap moest zetten. Gelukkig kon ik al snel meewerken aan een zomerprogramma van televisiemaakster An Mulders op de VRT. Ik mocht daarvoor reportages maken en liep dus de hele tijd op de VRT rond. Al snel begon mijn naam er te circuleren en werd ik gelinkt aan het TV-documentairecircuit. Zo kreeg ik nieuwe opdrachten en had ik al snel voldoende werk.”

Je werkt momenteel voor productiehuis Borgerhoff & Lamberigts. Welke opdrachten aanvaard je daar, en welke niet?
(denkt na) “Ik heb nu een redelijke vrijheid om daarover te beslissen. Kijk, een project is een bad. Ik spring daar in en dompel mij volledig onder. We zien wel wat er gebeurt. En als het klaar is, dan stap je er weer uit. Maar je geeft je wel volledig. En daarna stap je gewoon weer in een volgend bad. Wat mag ik maken? Daar staat of valt alles mee. En met wie mag ik het maken? Dat speelt ook mee in mijn beslissing. Dat teamgevoel, weet je wel.”

Waar zijn de beste verhalen te vinden?
“In het gewone de mooie dingen zien, daar ga ik altijd naar op zoek. Kleinmenselijke verhalen, dat is altijd de rode draad. In alles zit een verhaal, overal zit wel iets in dat ik te weten wil komen. Iets maken over Koning Filip of Boudewijn, dat bad ken ik bijvoorbeeld nog niet. Dat vind ik dus fascinerend. Ik zeg altijd: oevre votre coeur. Bij VDB (Frank Vandenbroucke, nvdr.) bijvoorbeeld, zijn ouders openden echt hun hart. En dan krijg je die speciale verhalen. Zijn sportprestaties kent iedereen. Maar hoe vertrok hij? Hoe kwam hij thuis? Dat zijn de zaken die ik dan wil weten.”

Kempense mentaliteit

Voor Vive Le Vélo ging je jarenlang op zoek naar die kleinmenselijke verhalen rondom de koers…
“Ja, dat is een goed voorbeeld van wat ik bedoel. Stel: om half tien kom je ergens in Frankrijk toe op een erf bij mensen die je niet kent. Om half één moet je met een goed gevoel weer kunnen vertrekken, op menselijk vlak bedoel ik dan. Je moet weten: mijn Frans is eigenlijk heel slecht. Na twee zinnen excuseer ik mij al. Ik maak vervoegingsfouten tot en met, maar ik blijf wel proberen. En zij helpen mij omdat ze voelen dat ik oprecht ben. Je moet op korte tijd vertrouwen creëren waardoor mensen open worden. En dat vertrouwen mag je niet beschamen. Je hebt er die de andere bepaalde dingen wil laten zeggen. En daarna: spullen pakken en weg hier. Maar ik wil overal nog terug kunnen komen. Jij bent op bezoek, dus je moet je nederig opstellen. Ik denk dat daar de Kempense mentaliteit toch weer bovenkomt. (glimlacht) Doe maar gewoon, ik ben niet meer dan jij. Die gedachtengang. Toen ik met Tom Boonen in Denemarken was (voor het programma Tom Fietst, nvdr.), zei iemand tegen hem: ‘Ik ben zo blij dat ik naast iemand zit die zo bekend is’. Waarop Tom antwoordde: ‘Wij laten ook boeren en onze scheten stinken ook, hoor. Wij zijn allemaal maar heel gewoon.’”

Is dat de essentie? Oprecht zijn en voeten op de grond houden?
“Als je laat voelen wie je echt bent, dan stelt de andere zich ook open. Faken, dat bestaat niet in de Kempen. Wij faken niet. Ik herinner me voor Vive Le Vélo een vrouw die fantastisch over haar caracollen kon vertellen. Maar eerst moest ze wel even loskomen en op haar gemak zijn. De kunst blijft om je tijd te nemen om op dezelfde golflengte te geraken. Als dat lukt, kan dat formidabele verhalen opleveren. Ik babbel graag met de mensen, ik wil weten hoe ze zijn. Dus ik vind het ook niet erg dat het soms iets langer duurt. Bij de ouders van VDB vroeg ik, aan het einde van de tweede en laatste interviewdag, of ze geen oude foto’s of video’s van Frank meer hadden. De vader zei dat hij op dat moment geen tijd had, maar dat ik nog eens mocht terugkomen. Nu goed, Ploegsteert is niet bij de deur. Maar ik reed er toch voor terug. Hij gaf me ineens vier bananendozen mee met videocassettes. Die heb ik allemaal bekeken. Ongelooflijk wat daar allemaal bij zat! Je krijgt daar uniek materiaal in je handen! Achteraf ga je dan langs met een diskette met al het archiefmateriaal van hun zoon op, dat is het minste dat je kan doen. En dan zit je daar uiteraard weer anderhalf uur aan de koffie. Maar ik vind dat zo’n verrijking van mijn leven. Dat ik zo’n momenten mag beleven. Dat is dat gevoel van in dat bad te mogen springen. Fan-tas-tisch!”

Je begint stilaan een routinier te worden. Vermindert de passie met de jaren?
(denk na) “Het blijft eigenlijk even zot als vroeger, om eerlijk te zijn. Gestructureerde chaos, maar wel altijd weten wat je wil. Dat leer je wel met de jaren. Nee, die interesse, die mindert nooit. Die jonge wolf is er nog altijd, nu ik erover nadenk. Berusten, ik zou dat niet kunnen.”

Is het leven van een regisseur een druk bestaan?
“Bij mij gaat dat met vlagen. De tijd van de XII werken van Van Oudenhoven, dát was heftig. Dat was zes maanden dag en nacht. Ik heb vele nachten bij Woestijnvis geslapen destijds. Pure rock ’n roll. Maar je deed dat gewoon, niet omdat dat goed voor je toekomst was, maar omdat het geweldig was om te doen… Tijdens zo’n Vive Le Vélo, dan slaap je ook 25 dagen lang gemiddeld vier uur per nacht. Maar ook dat is natuurlijk enorm plezierig. Je gaat daarin mee. Bam! En het circus is weg! Als ik erover babbel, zit ik al terug in mijn auto… Na zo’n Tour, dan kwam er vier dagen niks uit. Dat was een zak patatten van 20 kilo op je kop, zo voelde dat… Lange documentaires, dat is natuurlijk een ander tempo. Even boeiend, dat zeker. Aan ‘VDB. Ik ben God niet.’ heb ik 1,5 jaar gewerkt. Maar ik heb nooit het gevoel dat ik te veel uren klop, hoor. Ik ben bezig met wat ik graag doe.”

De koers

Veel van jouw programma’s en documentaires hebben een link met wielrennen. Toeval?
“Het heeft mij altijd wel iets gedaan, het wielrennen. Al was ik eigenlijk een loper, ik deed aan atletiek. Maar met de fiets rijden, dat was wel iets. Dan waren we Fons De Wolf en Daniël Willems, als we met de fiets op kamp vertrokken. En maar koersen. Ook op tv volgde ik het graag. We hadden een voetbalploegje in Mol, maar er was nooit genoeg volk. Dat is dan maar een wielerploegske geworden: ’t Klein Verzet. Dat bestaat nog altijd. Elk jaar gaan we één weekend samen fietsen. Ik heb zo’n wielrenners als reportagemaker ook altijd wel interessant gevonden. Dan hebben ze net 250 kilometer gekoerst en toch mag je ze tussen het eten en de massage nog komen interviewen, zelfs al hebben ze niet eens goed gereden.”

Nog wielerprojecten in de pijplijn?
“Ik maak nu samen met Lieven Van Gils een docureeks met als inspiratiebron het boek ‘De Val’. Over vijf jonge gasten uit het Gentse die regelmatig langs de Schelde trainden. Iljo Keisse, Wouter Weylandt, Bert De Backer, Kurt Hovelinck en Dimitri De Fauw. Met één droom: profwielrenner worden en al de mooie en dramatische momenten des levens die hun pad kruisten. Enkele van die interviews waren alvast zeer aangrijpend. Een verhaal dat de werkelijkheid overstijgt.”

Wat wil je de komende jaren zeker nog doen?
(denkt na) “Een film maken misschien? Dat zou ergens voor de hand liggen. Al weet ik eigenlijk niet of dat wel zo’n groot doel is voor mij. Misschien komt het er ooit van. In mijn rugzak zit natuurlijk al wel iets in. Ik ben niet gespaard gebleven in het leven. Ik ben mijn broer en mijn ouders verloren (zijn moeder stierf toen Hendrik acht jaar was, nvdr.), maar toch denk ik dat de balans positief moet zijn. Het zal alleszins geen actiefilm worden… Weet je wat ik misschien wel nog wil doen? Lesgeven. Ik denk dat ik wel wat professionele bagage heb om te delen. Mijn vader was ook leerkracht en in de jeugdbeweging voelde het ook altijd goed om met jongeren aan de slag te zijn. Misschien is dat wel iets. Gastdocent zijn ergens. En verder kijk ik wel wat er op mijn pad komt.”

Tekst: Bert Huysmans
Foto’s: Bart Van der Moeren


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*