Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Rudy Verheyen: een onwaarschijnlijke race door Frankrijk

OUD-TURNHOUT/RETIE — Rudy Verheyen (46) legt elk jaar gemiddeld een 50.000 kilometer af met zijn fiets. Meer dan één keer de wereld rond dus. In de befaamde Race Across France finishte hij enkele weken geleden nog als tweede. Hij reed er op 6 dagen en 11 uur 2.600 kilometer, trotseerde 43.000 hoogtemeters en sliep amper 8,5 uur op die week tijd. De drie zware alpenritten van de Tour de France deed hij er op één dag. “Slapen is tijdverspilling, het leven is al zo kort.”

We spreken met Rudy af bij zijn ouders in Oud-Turnhout. Daar woont hij momenteel. “Ik heb in Retie zelf een huis, maar dat heb ik verhuurd. Ik ben toch bijna nooit thuis.” Rudy werkt bij Soudal in Turnhout waar hij in een ploegensysteem telkens van 14 uur tot 22 uur aan de slag is. Zo kan hij elke voormiddag een stevige fietstraining inplannen. Op zaterdag trekt hij vaak naar de Ardennen om de nodige hoogtemeters op te laten tekenen en op zondag rijdt hij met een wielerclub uit de buurt mee. Wij hebben om 10 uur afgesproken, maar ook nu is Rudy vooraf al gaan rijden. Een straffe die hem een dag van zijn fiets kan houden.

Vanwaar die fascinatie voor het duurfietsen?
Rudy Verheyen: “De schuld ligt bij de buren. (glimlacht) Dat waren coureurs en zij hebben op een gegeven moment, ik moet zo’n elf jaar geweest zijn, op mijn gewone fiets een koersstuur geplaatst. Vanaf toen moest en zou ik elke dag 60 kilometer rijden. Er was maar één probleem: ik mocht niet fietsen van mijn ouders, dat was te gevaarlijk. Enkel rond de blok hier, dat mocht wel. Dus deed ik dat elke dag honderd keer. (lacht) Toen ik vijftien was, mocht ik dan eindelijk bij het Kempens Wielerverbond in Turnhout gaan koersen. Bij de jeugd won ik regelmatig, maar om prof te worden ontbrak het mij aan een sprint. Ik heb dan voor mijn studies gekozen, nog even terug bij de elites zonder contract gereden, maar na een paar jaar vond ik het tijd om iets anders te proberen. De langere afstanden.”

Welke duurwedstrijd was jouw eerste?
“De eerste grote was Parijs-Brest-Parijs. 1.200 kilometer die ik in 43 uur heb gedaan. Zonder te slapen. Toen werd ik tweedes van 6.200 deelnemers. Dat was de motivatie om verder te gaan. Telkens zwaarder en extremer want je zoekt altijd weer die uitdaging op. Vorig jaar reed ik 1.500 kilometer door de Alpen, met aankomst op de Stelvio. Een nek-aan-nek-gevecht met een Oostenrijker dat ik uiteindelijk kon winnen. Niet eenvoudig, want ik blijf toch een vlaklander he. Maar doorheen de jaren leer je veel. Ik ga nu geen nachten meer overslaan om te trainen bijvoorbeeld. Dan put je jezelf alleen maar onnodig uit. Vroeger dacht ik dat vier dagen zonder slapen wel zou lukken, tot ik de man met de hamer eens tegenkwam.”

Kom je die vaak tegen? Wat zijn zo de meest legendarische verhalen?
“In Engeland hebben we tijdens een wedstrijd ooit zo’n 1.000 kilometer lang regen gehad, bij tien graden. En er stond altijd zijwind. 800 kilometer naar het noorden en dan terug. Eerst blies de wind vol van links, daarna van rechts. Ik reed acht keer lek en viel twee keer… Van die regen zie je wel af. Ik durfde mijn schoenen niet meer uitdoen. Mijn kousen kleurden rood van het bloed dat in mijn schoenen stond. Ik bleek ook nog eens drie teennagels kwijt te zijn. Nu kan ik daar vrolijk over vertellen, maar toen was dat heel wat minder hoor.”

Twee koersbroeken

De Race Across France, hoe gaat die in zijn werk?
“Zondagochtend vertrek je om half vijf in Cannes en zo’n 2.600 kilometer en 43.000 hoogtemeters later kom je aan in Le Touquet. Je volgt de gekregen gps-route en beslist zelf hoe lang je slaapt, wat je eet,… Je krijgt een transponder mee zodat je gevolgd kan worden. Er was een optie om het met een volgwagen te doen, maar dat vond ik maar niks. Het parcours loopt over 38 cols, waaronder de Ventoux, Galibier, Alpe d’Huez,…”

Je neemt dan alles zelf mee op de fiets?
“De meeste zaken wel ja, in een klein zakje aan het stuur. Elk detail is daarom belangrijk. Ieder schroefje op de fiets moet dezelfde grootte hebben, dan moet ik maar één sleutel meenemen. Ik had o.a. een reserveband of drie mee, eten en drinken en één setje reservekledij. Op de checkpunten liet ik dan elke dag een nieuwe koersbroek klaarleggen. Want in Frankrijk zijn de wegen redelijk hobbelig, daar rij ik preventief met twee koersbroeken aan. Met succes, want ik heb geen last gehad van mijn zitvlak.”

Je hele lichaam moet nochtans pijn doen, bij zo’n lange inspanningen?
“Op den duur begin je wel last van je handen en je knieën te krijgen ja. En van je rug vaak, maar daar was ik op voorzien, ik heb speciaal mijn stuur een halve centimeter hoger geplaatst. Als je last krijgt van je rug of van je zitvlak, dan kom je echt in de problemen. Maar die pijntjes, die zijn er zeker. Je hoort wel eens het stemmetje in je hoofd: ‘Zou je niet opgeven?’ Maar je moet daar tegen vechten. Zo’n wedstrijd, dat is vooral een mentale kwestie. Overdag zie je nog vanalles, maar ’s nachts vecht je tegen jezelf.”

Waar slaap je dan?
“Liefst in hotelletjes waar je ’s nachts kan inchecken, want je kan vooraf niks reserveren. Langs de kant van de weg of op wat stro in een schuur bij een boer kan ook. Ik heb toch een thermisch deken bij.”

Slaap je dan onmiddellijk?
“Ik heb geleerd dat als ik na een kwartier niet slaap, dat ik dan moet verder rijden. Niet nodeloos blijven proberen. Dat moment dat je kan slapen, komt dan later wel. Ik probeer een uurtje of twee te slapen, liefst van half drie tot half vijf. Mijn wekker staat altijd, maar die heb ik geen enkele keer nodig gehad. De laatste dagen, als de finish dichterbij komt, slaap je minder. Dan probeer je zo toch nog wat tijd goed te maken. Ik heb een nacht van één uur gehad, maar ook eentje van een kwartier. Als ik overdag in de problemen kom, slaap ik een kwartiertje. Je staat ervan versteld hoeveel verschil dat maakt.”

En eten en drinken?
“Bij winkels in de buurt. Je stopt eens bij een bakker voor wat koffiekoeken of verse rijsttaartjes. Als vast eten nog lukt tenminste. In het begin gaat dat nog, maar na dag vijf of zes schakel je volledig over op vloeibaar, sportvoeding bijvoorbeeld. Al moet je proberen af en toe wat yoghurt of andere zaken te eten, want alleen sportvoeding is niet goed. En als je dorst hebt, dan helpen de mensen uit de buurt je wel verder.”

Kans op een bui

Is het niet gevaarlijk, zo’n lange uitputtende onderneming?
“Het probleem is dat je de hele tijd in het normale verkeer rijdt. ’s Nachts heb je wel licht aan en draag je een fluohesje. Geen geel, daar zijn ze in Frankrijk niet zo gek op. (lacht) Maar het wordt vooral gevaarlijk als je echt vermoeid bent, dan kan je niks meer. Dan valt de concentratie weg, kan je niet meer lezen en zie je soms zelfs dingen die er niet zijn. Dan denk je bijvoorbeeld dat er plots iemand de weg oversteekt terwijl dat niet het geval is. Ik heb die alarmsignalen wel leren herkennen. Je moet je lichaam door en door kennen.”

Dat gaat toch al behoorlijk ver… En je blijft daar dan van genieten?
“Het is vooral die stap in het onbekende die mij aantrekt. Je weet niet hoe je vordert, je kan niks vooraf plannen. We hebben bijvoorbeeld de hele tijd noorderwind gehad. Zeker 2.300 kilometer de wind pal op kop. Dat was een tegenvaller want ik had mijn triatlonstuur niet bij omdat ik dacht dat ik er niet voldoende voordeel van zou hebben. De uiteindelijke winnaar had dat wel, dat heeft mee het verschil gemaakt. Samen met het feit dat hij de wedstrijd vorig jaar al gereden had en het parcours dus kende.”

Ben je dan teleurgesteld? Of vooral blij dat je het gehaald hebt?
“In eerste instantie blij dat je het gehaald hebt, maar ik ben wel echt naar daar gegaan met het idee dat ik die wedstrijd kon winnen. Dus de teleurstelling was er zeker. Van de 40 deelnemers die gestart zijn, hebben er 11 de finish gehaald. Van hen waren er 6 buiten tijd, je kreeg 7,5 dag. Toen we naar daar reden was het 40 graden. Maar de eerste dag regende het ineens. 12 uur aan een stuk heeft het gegoten. Kans op een bui, hadden ze vooraf gezegd. (glimlacht) Dat heeft mij meteen mijn setje reservekledij gekost. Velen hebben de fout gemaakt om niet van kledij te wisselen, maar dan begint het te wrijven aan je zitvlak en komt het niet meer goed. De omstandigheden waren dus enorm zwaar. Ik ben er zelfs van overtuigd dat ik het nog 20 uur sneller moet kunnen.”

Geniet je van de omgeving, tijdens zo’n wedstrijd?
“In het begin kijk je wel nog eens rond, maar al snel ben je eigenlijk alleen nog met die wedstrijd bezig. Ik zag op foto’s dat ik op enkele mooie plaatsen geweest ben, maar ik heb dat op dat moment niet opgemerkt. (lacht) In september ga ik nog een weekje naar de Alpen, dan kijk ik wat meer rond.”

Communiefeesten in november

Train je echt élke dag, ook bij slecht weer?
“Regen of wind, daar blijf ik niet voor binnen. Als je dat doet, dan is het einde nabij. Als het écht slecht weer is overdag, dan ga ik soms ’s nachts trainen. Eén dag niet trainen gaat nog, maar twee of drie, dat lukt echt niet. Het aantal dagen dat ik niet op de fiets zit, zijn per jaar op één hand te tellen. Op 1 januari heb ik altijd een lastig gevoel, dan staat de teller terug op nul. Dan moet ik ten laatste om half negen de fiets op. Dan mag het weer al héél slecht zijn hoor, ik ga rijden.”

Zijn er veel andere coureurs die je gek verklaren?
“Zowat iedereen ja, ook niet-fietsers. Ze zien mij regelmatig rijden en herkennen mij natuurlijk in mijn opvallende witte tenue van mijn sponsor, Garage Crets. Die heb ik gekozen omdat wit het zonlicht weerkaatst. ‘Onze Rudy is 400 kilometer gaan trainen in de Ardennen’, zegt mijn moeder dan bijvoorbeeld tegen iemand. ‘Ah, hoeveel dagen is ie weggeweest?’. Als je dan zegt dat je dat op één dag doet, dan geloven ze je zelfs meestal niet.”

Ga je vaak naar de Ardennen?
“Ja, dat moet wel, want je moet hoogtemeters kunnen maken. En hier in de Kempen is er amper een brug. Ik denk dat ik stukken van de Ardennen beter ken dan de omgeving hier thuis. Ik ga vaak naar daar. Ik rij dan 27 à 28 kilometer per uur, doe zo’n 300 of 400 kilometer met tussen de 6.000 en 8.000 hoogtemeters. Met alle hellingen van Luik-Bastenaken-Luik erin, alles om het zwaar te maken. Eén nadeel: er zijn maar weinig kandidaten om met mij mee te rijden. Ze zeggen allemaal wel dat ze eens meewillen, maar opeens komen dan de gekste excuses boven. Dan staan er ineens communiefeesten in november gepland en zo.” (lacht)

Welke doelen heb je nog?
“Ik wil zoveel mogelijk cols in Europa hebben opgereden. Ik zit nu aan 5.000. In Frankrijk heb ik er al 2.350 gedaan, er zijn er zo’n 2.500. Ik moet enkel Corsica nog doen en de nieuwe berg die ze in Albertville pas geasfalteerd hebben. Daar ga ik volgende maand al naartoe. (Rudy toont een kaart die hier en daar aan elkaar geplakt is met plakband en helemaal volstaat met rondjes, zo goed als allemaal met een kruisje doorstreept). En volgend jaar wil ik de Race Across Europe graag doen. 5.000 kilometer door zeven landen met aankomst in Gibraltar. 47.000 hoogtemeters... In putteke zomer door het binnenland van Spanje…”

Het fietsen slorpt heel wat tijd op. Heb je nog andere vrije tijd?
“Voor andere zaken dan de fiets en het werk is er weinig ruimte. Zelfs voor mijn familie vaak niet, ik moet daar meer tijd voor maken want ik zie ze momenteel te weinig. Mijn privéleven, dat is fietsen. Ook voor een vrouw is er geen tijd. Het podium ligt al vast: de fiets staat op één, twee en drie. En je moet ook nog slapen. Al is dat tijdverspilling, zo bekijk ik het toch. Het leven is al zo kort. Eén derde werken en één derde slapen, dan schiet er niet veel meer over.”

Tekst: Bert Huysmans
Foto’s: Benjamin Petit en Keryan Sorton


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*