Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Jos Daems: de wereldkampioen der wereldkampioenschappen

MOL — Jos Daems (69) vertrekt dit jaar naar zijn 48ste wereldkampioenschap wielrennen voor profs. Maar ook in –tig andere wielerwedstrijden is Jos vaak prominent aanwezig. Nog voor de allersnelste wielerverslaggever een vraag kan stellen, heeft hij de winnaar al omhelst. En Jos is geliefd bij renners alom, bij UCI-bonzen en wielerliefhebbers wereldwijd. Hoe hij dit steevast flikt? Door gewoon zichzelf te zijn.

Ooit regelde een sjeik van Oman twee peperdure fietsen voor Jos. Na gebruik werden ze in een hotel netje in een bad gewassen. Of er was die keer dat hij meereed met de wagen die voor koning Willem Alexander bedoeld was. Het zijn allemaal geen fantasieverhalen, hij kan telkens de foto’s voorleggen die zijn vertellingen staven. En dan hebben we het enkel nog maar over de koers. “Ik voel me alsof ik nog nooit gewerkt heb in mijn leven, al ben ik soms tot 18 uur per dag bezig.”

Jij hebt zelf gekoerst en blijkbaar was je al heel vroeg door de wielermicrobe gebeten. Waar kwam dat beestje vandaan?
Jos Daems: “Ik denk al van bij mijn geboorte. Mijn vader was schoenmaker in Mol-Sluis. Als baby legden mijn ouders me te slapen in een kartonnen schoendoos. Vader heeft hier in de regio ongelooflijk veel koersen georganiseerd in zijn tijd. Hij was ook ondervoorzitter van Balen BC. Van Roodkapje hoorde ik niet veel, maar verhalen over Van Steenbergen en Coppi daarentegen… Hij was altijd vriendelijk en sprak iedereen gewoon aan. Dat deed hij aan de koersen hier, aan de grote Vlaamse koersen maar ook bij de aankomst van de Tour indertijd. Hij sprak wel geen Frans, maar hij praatte op zijn manier met de mensen en dat leverde hem overal veel vriendschap op. Ik denk dat ik het daar wel van meegekregen heb. Uiteraard zag hij het wel zitten dat zoonlief koerste. Mijn eerste zegepalm haalde ik in Aubel. Maar een wielercarrière zat er voor mij niet in, het ging een andere richting uit. De microbe is echter wel degelijk gebleven.”

Eén van de zaken waardoor je door velen herkend wordt, is je aanwezigheid op ongelooflijk veel wereldkampioenschappen. Hoeveel zijn het er intussen?
“Dit jaar ga ik naar mijn 48ste WK. Toen ik aan veertig zat hebben Dirk Boets en Robby Geuens voor mij een stel polotruitjes laten maken met op de rugkant alle wereldkampioenschappen en hun winnaars. Tijdens het WK in Kopenhagen vroeg UCI-voorzitter Pat McQuaid me om eens naar het hotel te komen waar zij verbleven. Daar kreeg ik een UCI-accreditatie overhandigd, compleet in een gouden kadertje. Dat was uiteraard erg leuk. Maar toen ik het, zoals meestal, in mijn zak wilde stoppen, stak hij een vermanend vingertje op, ik moest het om mijn nek hangen.”

Heb jij ooit aan koersbrossen gedaan op de WK’s?
“Ik ben eens één keer thuisgebleven uit Verona omdat ik daar een paar jaar daarvoor ook al eens geweest was. Want ik ga niet louter voor de koers, ik wil er ook iets zien en ik wil met lokale mensen praten. Mensen praten met mensen en dat levert schitterende zaken en onverwachte plotwendingen op. Die keer dus was ik thuisgebleven en met Jean Marie Pfaff de tocht Bayern–Brasschaat gaan rijden. In één van die ritten werd er op het einde stevig gekoerst. Ik had wel 150 kilometer met Museeuw op kop gereden. In de rit naar Aubel kon ik het spurtje winnen, al was Ward Sels ook wel gebrand op die zege. Maar ik had in Aubel als coureur al eens gewonnen, het was dus een erezaak.”

Dé vraag die veel mensen zich stellen: hoe geraakt hij toch altijd in die zones die zo goed afgeschermd zijn?
“In een ver verleden heb ik eens gezorgd voor een Zweedse delegatie die zonder begeleider zat. Zo ben ik erin gerold. Ook voor Zuid-Amerikaanse landen heb ik dat al eens gedaan, dus daar kenden ze me ook. En ik kom gewoonlijk wel overal terecht door te praten en door vriendelijk te zijn. Voor de grap heb ik me ooit wel eens bediend van een nepaccreditatie en dat lukte ook. Maar doorheen die tientallen jaren ken ik ondertussen zoveel mensen dat ik gewoon bij het meubilair hoor. Je ontmoet elke keer dezelfde mensen en dat schept ook wel een band. Het is wel zo dat ik nooit in de weg zal lopen van wie aan het werken is en als ik een handje kan helpen, dan doe ik dat ook. En ja, sinds Kopenhagen heb ik dus mijn officiële UCI-pasje. En kan ik in een officiële wagen geregeld de koers volgen.”

Jij hebt ook gewoon echte vriendschapsbanden met iconen als Bernard Hinault en Greg LeMond. Hoe flik je dat?
“Ik heb altijd een neus gehad voor jong talent. Greg leerde ik kennen toen hij als nieuweling hier kwam koersen. Nu zal ik eens iets vertellen wat ik nog nooit verteld heb. Mijn vrouw An en ik hebben een aandeel in de legendarische Tourzege met acht seconden voorsprong op Fignon. Voor de tijdrit was de tijdritfiets van Greg verdwenen. An en ik vonden hem ergens weggegooid in het struikgewas. Waarschijnlijk gestolen en toch niet durven meenemen. Toen we de fiets terugbrachten, ploegleider Jose De Cauwer heeft waarschijnlijk nooit geweten dat de fiets verdwenen was, vroeg Greg me om hem even te helpen de start te oefenen. Dat is de renner vasthouden in de startpositie. Bij de proefstart trok hij zijn befaamde Scott stuur los. Dat was het stuur dat over de eindzege besliste. Paniekerige mechaniekers kregen het niet voldoende vastgezet. Met een stevige schaar hebben we toen reepjes uit een rondslingerend colablik geknipt en die waren net voldoende om het stuur muurvast te monteren.”

Nog van dat?
(denkt na) “Bernard Hinault heb ik leren kennen in Venezuela. We gingen geregeld samen fietsen, we kwamen en komen erg goed overeen. In 1981 moest hij als wereldkampioen de Amstel Gold Race rijden. Het was tegen zijn zin want hij reed die dag liever een koers in zijn eigen Bretagne. Maar ploegleider Guimard verplichtte hem, al was er geen volgauto van de ploeg voorzien. Hij vroeg me of ik hem niet kon bevoorraden met mijn eigen wagen die dus als volgwagen diende. Samen met een vriend maakten we ‘s morgens de eetzakjes klaar. Ik zei Bernard dat ik het niet fraai zou vinden moest ik al die moeite voor niks doen en hij zou opgeven. Al na een paar kilometer stopte hij op de parking van een tankstation om treiterig zijn koersschoenen opnieuw te binden. Maar hij reed uit in helse weersomstandigheden en won de sprint, puur op de macht.”

Jij hebt verschillende fraaie fietsen, een koersfiets van Hinault, een mountainbike zoals de sjeiks in Oman, een cruiser. Al eens gedacht aan een elektrische?
“Ik moet geen elektrische hebben, ik wil zelf fietsen, al is het maar tegen 15 per uur. Liever dat dan 30 per uur met een batterij. Waarom willen al die senioren toch zo nodig met zo een fiets op café. Ze zouden beter eerst allemaal een helm opzetten.”

Wens ik je nog eens een paar decennia koersplezier?
“Dat mag je zeker, maar ik start ooit nog een wereldreis. Op landloperniveau, zonder luxe. Hoe lang ik weg zal blijven weet ik nog niet, maar ik kan een reis uitstippelen via mijn fietsvrienden. Bij hen ben ik altijd welkom, dat weet ik. En zij ook bij mij, dat weten ze ook.”

Tekst: Jef Aerts


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*