Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Andre Vromans: de zandcrosser die op elk terrein uit de voeten kon

ARENDONK/LOMMEL – Als zoon van een pionier in de motorcross stond het in de sterren geschreven dat André Vromans een mooie carrière zou uitbouwen. Toch zag het er lang naar uit dat hij het als voetballer helemaal zou maken. Vromans was een laatbloeier. Maar dat weerhield hem niet om vier keer Belgisch kampioen te worden en drie maal op het podium van een wereldkampioenschap te staan. Hij maakte deel uit van een gouden Belgische generatie. En als we André morgen geloven komen die tijden niet meteen meer terug.

Wanneer Andre Vromans (63) mij in zijn huis in Arendonk ontvangt ligt de livingtafel vol met fotoboeken en krantenknipsels uit zijn glorieperiode. Genoeg informatie om over deze kampioen een heel boek te kunnen schrijven. Het herinnert mij aan mijn kindertijd. Toen ik best trots was dat er een vedette uit de motorcross in Arendonk woonde. Toen we nog Panini-stickers verzamelden van André. Maar ook van Harry Everts, Roger De Coster, André Malherbe en Georges Jobé. Gouden tijden waren het voor de Belgische motorcross. Ondertussen is André een dagje ouder geworden. Een beetje grijzer ook. Maar nog steeds erg actief. Want het was zoeken naar een gaatje in zijn agenda. Op visite bij een groot kampioen.

De Coster, Malherbe, Jobé,… Waren dat effectief de grote concurrenten uit jouw tijd?
André Vromans: “Klopt. Zowel binnen als buiten België. De Belgische motorcross was toen absolute wereldtop. Eind jaren ’60, begin jaren ’70 had je Joël Robert en Roger De Coster. Later kwamen dan Harry Everts, vader van, en Gaston Rahier. Dan volgden Georges Jobé, André Malherbe en ik. Nog iets later Eric Geboers. In de jaren ’90 was het dan de beurt aan Stefan Everts en Joël Smets. Maar pas op, wij hadden ook best wat tegenstand uit het buitenland hoor. De Zweed Carlqvist bijvoorbeeld. Dave Thorpe en Neil Hudson uit het Verenigd Koninkrijk. De Fransman Jean-Jacques Bruno. In Nederland had je Dave Strijbos en John van den Berk. En natuurlijk de Amerikanen met Brad Lackey en Danny LaPorte. Toen reden we nog in drie verschillende klassen. De 125cc, 250cc en 500cc. Ondertussen is dat helemaal gewijzigd.”

Na Everts en Smets is het wat stilgevallen met de Belgische kampioenen. Zijn de gouden tijden voorbij?
“Ik denk dat er zeker nog voldoende talenten aanwezig zijn in België. Al kom je een Stefan Everts uiteraard maar heel zelden tegen. Zelfs op wereldniveau. Het probleem is dat er onvoldoende trainingsmogelijkheden zijn. Motorcross en milieu gaan blijkbaar niet goed samen. Als wij vroeger een moto en een akker hadden, waren we vertrokken. Elke dag rondjes malen en trainen. Er zijn nog wel een paar circuits maar die zijn met de jaren flink uitgedund. Lommel is er nog. Hier in de buurt heb je nog Reusel en Bladel. Maar het is toch allemaal veel moeilijker geworden voor die jonge gasten om deftig en vooral vaak te trainen. Volgens mij is dat het grootste probleem voor de motorcross in België. En ik zie dat nog niet meteen veranderen. Dus de toekomst ziet er niet erg rooskleurig uit. Toch niet in België.”

Hoe ben je zelf in de motorcross beland?
“Mijn vader, Harry Vromans, was een fervente motorcrosser. Je kan hem gerust een pionier in de Belgische motorcross noemen. Ook mijn twee broers, Jean-Pierre en Remy, waren meteen verkocht. Toch was ik niet meteen gebeten door de microbe. Ik was een voetballer. Bij Lommel, waar ik ook ben opgegroeid. Eigenlijk best een goeie. Maar ik had op jonge leeftijd een zware knieblessure en het lukte me niet meteen om terug op mijn oude niveau te komen. Toen heeft mijn vader mij kunnen overtuigen om voluit voor de motorcross te gaan. Een beetje gek eigenlijk als je weet dat motorcross nog veel slechter is voor de knieën dan voetbal. Maar het heeft me nooit parten gespeeld. Ik was daardoor wel een laatbloeier in de cross.”

Het was alleszins een goede keuze, want de resultaten lieten niet lang op zich wachten.
“Het ging meteen vrij snel, dat klopt. Uiteindelijk was ik al zestien jaar toen ik goed en wel startte met de cross, bij de juniors, 500cc. Tijdens mijn eerste officiële seizoen reed ik met een Husqvarna en werd ik meteen tweede in het Belgisch Kampioenschap, achter Henry Schroyen. We waren toen in 1972. Toen werd de minimumleeftijd in België opgetrokken naar achttien jaar. Dus moest ik terug een jaar van de zijkant toekijken. Daarna werd ik nog een keertje tweede bij de juniors. Een jaar later kwam ik uit bij de seniors. Na één keer tweede werd ik in 1977 een eerste keer Belgisch kampioen. Dat was vrij straf. Nog een jaar later startte ik al bij de Internationalen, het hoogste niveau. Daar werd ik in 1980 en 1981 Belgisch kampioen. Telkens op een 500cc. Bij mijn internationale debuut, in Engeland was dat, behaalde ik meteen drie punten. Een onverwacht succes. Ook al in 1980 won ik mijn eerste GP in Valkenzwaard. Leuke herinneringen.”

In de jaren die volgden bouwde je een fantastische carrière uit. Hoe is het leven van een motorcrosser aan de top?
“Je kan dat absoluut niet meer vergelijken met de huidige situatie. Ook al waren wij allemaal concurrenten van elkaar, zowel in binnen- als buitenland, we waren ook goede vrienden. Het gebeurde bijvoorbeeld dat een GP in Zweden gevolgd werd door een GP in Finland. In dat geval bleven we ter plaatse, omdat we de verplaatsing bijna altijd met de auto deden. Dan namen de Zweedse of Finse crossers ons gewoon mee naar hun trainingsparcours. Geen probleem. We sliepen vaak ook met z’n allen in hetzelfde hotel. Nu is dat ondenkbaar. Elke rijder heeft zijn eigen mobilhome. Er zal zeker nog een bepaalde kameraadschap zijn maar toch niet meer te vergelijken met onze jaren. Crossers worden nu ook veel meer afgeschermd dan toen.”

De sport heeft je wel de mogelijkheid gegeven om de ganse wereld rond te reizen. Heb je daar leuke herinneringen aan?
“Ik vrees dat de mensen daar een verkeerd beeld van hebben. Enerzijds waren we vaak lang onderweg. Veel reizen dus en nooit thuis. En als we arriveerden wilden we zoveel mogelijk trainen. Ik heb eigenlijk zelden of nooit iets van het land gezien waar ik aan het crossen was. Enkel als er wedstrijden in Canada of de Verenigde Staten waren, probeerden we er met de familie een kleine vakantie aan te koppelen. Maar voor de rest was het eigenlijk trainen, trainen, trainen.”

Zijn er wedstrijden waar je met extra veel plezier aan terugdenkt?
“Absoluut. Toen ik op twintigjarige leeftijd de Motorcross der Jongeren won in Maggiora in Italië. En in ’82 klopte ik als enige Belg alle Amerikanen tijdens de Motorcross der Naties. En uiteraard was ook elke Belgische titel fantastisch. Daarnaast won ik ook 18 keer een Grand Prix. Elke overwinning is plezant. Dat verveelt nooit. Over het dieptepunt moet ik niet lang nadenken. Toen ik in 1985 een bilbreuk opliep in Göteborg lag ik er een gans seizoen uit. Dat is dan weer de hel.”

Je oud-collega’s Malherbe, Jobé en Geboers konden helaas niet genieten van hun oude dag. Hoe ziet jouw leven na je carrière eruit?
“Op mijn zesendertigste ben ik officieel gestopt met crossen. Hoewel ik de laatste vijf jaar nog eerder voor mijn plezier reed, niet zozeer meer met de ambitie om te winnen. Hoewel ik tijdens mijn carrière goed mijn boterham heb verdiend, moest ik toch nog op zoek naar een nieuwe baan. Gelukkig kon ik vrij snel in het bouwbedrijf van mijn schoonvader terecht. Ik heb me daarna nog wel geëngageerd in het wereldje van de motorcross maar stilaan is die interesse toch weggeëbd. Ik volg het uiteraard nog wel. Maar vanop een afstand.”

Geen zoon die, net als jij, in de voetsporen van zijn vader wil treden?
“Alleszins niet in de motorcross. Hij sleutelt wel graag aan die oude machines maar de echte microbe heeft hij nooit gehad. Al vraagt hij nog wel regelmatig om eens mee naar de cross te gaan kijken. Ik geef er dan wel de voorkeur aan om naar de echte GP’s te gaan. Hoewel de wedstrijden me dan minder boeien, maar het reilen en zeilen naast de cross blijft me wel fascineren. De evolutie van het materiaal en de cross in het algemeen bijvoorbeeld. Maar voor de rest ben ik me toch meer en meer gaan interesseren in andere hobby’s. Zo heb ik een hele tijd met de wielertoeristen meegereden. Al is dat ook weer even geleden. De laatste jaren kan ik me helemaal uitleven met het jagen. Samen met vrienden op jacht in Duitsland of Frankrijk. Fantastisch! Al mogen ze me ook altijd vragen om op de kleinkinderen te passen. To, Mien en Sep. Dat doe ik altijd met veel plezier. Het vierde kleinkind is trouwens onderweg. Als dat geen leuk nieuws is.”

Alvast een welgemeende proficiat!

Tekst: Peter Meulemans


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*