Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

DJ Django viert feest, “Het mag al eens wat gekker zijn”

RETIE – DJ Django staat 50 jaar achter de Kempense draaitafels. Bovendien wordt hij eind maart 70 jaar. Een dubbele verjaardag die in Retie gevierd wordt met twee dagen feest in GC Den Dries. In afwachting van zijn standbeeld vlak naast de Lindeboom in Retie – dat komt er vast nog van – spraken wij al even met hem af, voor een pintje en een gezellige babbel.

Ben je altijd al geïnteresseerd geweest in muziek?
DJ Django: “Ik ben het beginnen volgen eind jaren ‘50. Al was er toen nog niet veel om te beluisteren. We hadden bij ons thuis ook geen radio, maar mijn pa had wel een auto met een autoradio erin. Ik heb heel wat uren in de garage zitten luisteren. Ik zat daar dan te draaien aan de knop, want veel zenders waren er niet en heel stabiel waren die ook niet. Maar het was voldoende. Veel commerciële muziek en heel veel rock ‘n roll. Dat hoorde ik heel graag. Sindsdien is de muziekkoorts altijd maar erger geworden.”

Hoe ben je dan dj geworden?
“Ik ging dan regelmatig singles kopen, op vinyl. De mensen in mijn omgeving zagen ook dat ik daar mee bezig was. Ik hoorde al eens vertellen dat ik misschien DJ moest worden. Dat leek mij iets fantastisch. Ik begon dan al eens plaatjes te draaien voor mijn vrienden, ik deed aan een dj-wedstrijd mee en stilaan stond er al eens een jeugdfuif op het programma. Dan ben ik regelmatig gaan draaien in de Mallemuze in Dessel. Dat was een soort boerderij die omgebouwd was tot een taverne. Daar speelden we veel kleinkunst, maar ook de muziek die verwant was aan die van Woodstock ‘68. Daar pikten we op in. Later ging ik dan naar Zaal Manuel in Arendonk, een feestzaal gecombineerd met een discotheek. En nadat ik terugkwam van het leger begon ik in de Seabar, ook in Arendonk. Daar ging ik bijna elke zaterdag en zondag draaien. Dat waren zes fantastische jaren. Misschien wel de mooiste uit mijn carrière. Eind jaren ‘70 kocht ik een discobar en kon ik dus ook op locatie gaan draaien.”

Hoe zagen de fuiven er toen uit?
“Ten opzichte van nu? Helemaal anders! De zalen stonden altijd vol met tafels en stoelen. De mensen kwamen zo vroeg mogelijk om een goede plaats te hebben en te kunnen gaan zitten. Nu begin je de avond eigenlijk in een lege zaal. De dansvloer, die was duidelijk afgebakend. De mensen stonden op, kwamen naar de dansvloer en begonnen te dansen. Nu is een fuif eigenlijk één grote dansvloer. Daardoor is het soms wel moeilijker te volgen of er veel gedanst wordt. (lacht) Het heeft allebei zijn charme hoor. Als ik maar zie of zag dat er veel sfeer is en dat de mensen plezier maken.”

Hoe bereid je je voor op een avondje dj’en?
“Ik maak zelden lijstjes vooraf. Zo’n avond draait altijd anders uit dan wat je in gedachten had. Ik begin gewoon met wat ik op dat moment goed vind en kijk dan wel hoe het loopt. Elk feest en elke fuif is anders. Je weet nooit wat gaat werken en wat niet. De ene week staat iedereen te dansen op een bepaald nummer, de week erna werkt die plaat compleet niet. Ik zorg wel voor een goede mix. Al vraag ik vooraf wel altijd of er bepaalde genres meer aan bod moeten komen.”

Wat doe je als je het publiek niet aan het dansen krijgt?
“Dan probeer je wat anders. Een andere stijl bijvoorbeeld. Ik maak dan al eens bokkensprongen om te testen wat ze wel en niet leuk vinden. De omstandigheden spelen altijd een rol en je hebt natuurlijk ook mensen die wat stiller zijn. Al is dat niet altijd het geval. Soms zeggen ze vooraf wel eens dat hun familie geen dansers zijn. En toch staan ze dan op het feest zelf allemaal op de dansvloer.”

Draai je ook muziek die je zelf niet goed vindt?
“Dat moet soms al eens gebeuren. (lacht) Een dj moet soms zijn persoonlijke smaak van zich kunnen afzetten, als ie voelt dat het dat is wat de mensen willen. En er zijn natuurlijk ook nummer die je al heel vaak gedraaid hebt. ‘The Summer of ‘69’ of ‘Paradise by the dashboard light’ zijn op zich geen slechte nummers, maar ik heb ze wel al behoorlijk grijs gedraaid.”

Waar luister je zelf naar, in je vrije tijd?
“Ik heb een brede muzieksmaak. Ik zet vaak gewoon de radio op als achtergrond. Af en toe zeg je dan wel eens: dit is een goed nummer, wie is dat ook alweer? En ik ben natuurlijk nog altijd rock ‘n rollfan. Dat is altijd gebleven. Ik ben grote fan van Chuck Berry en vooral van Buddy Holly. Van zijn muziek was ik vroeger helemaal in de ban. Hij barstte van het talent. Als hij zo vroeg niet gestorven was (Buddy Holly stierf in een vliegtuigongeluk op 22-jarige leeftijd, nvdr.) dan was hij de grootste aller tijden geworden. Zeker weten! Ik ben ook een enorme gitaarfan en hij had een heel eigenzinnige manier van spelen. Zijn invloed is groot geweest op andere grote gitaristen.”

Meneer Tjoen

Weten de mensen dat jij eigenlijk Paul Mermans heet? Of zegt iedereen gewoon ‘Django’?
“95 procent van de mensen kennen mij als Django. Af en toe word ik al eens Meneer Tjoen genoemd, als grap. (lacht)  Mij maakt het ook niet uit hoor, hoe ze mij aanspreken. Iemand die ik kende van bij het leger kwam mij ooit na een paar jaar terug opzoeken in Retie. Hij vroeg naar Paul Mermans, niemand wist wie dat was. Hij was nochtans al in mijn straat. Pas toen hij bij de vijfde persoon zei dat ik ook nog dj was, wisten ze waar hij moest zijn.”

Waar komt de naam ‘Django’ eigenlijk vandaan?
“Dat was gewoon een Slavische naam die ik mooi vond. Daar is dan Tjoen (de vervlaamsing van het Engelse ‘tune’, nvdr.) bijgekomen toen ik de platenwinkel begon. Een naam moet ook een beetje opvallen.”

Hoe is die winkel er gekomen?
“Voor mij was dat de ideale manier om resoluut voor de muziek te kiezen, tot dan was alles nog een pure hobby en stond ik nog in het onderwijs. Ik vond het fantastisch, dat muziek vanaf toen al mijn dagen vulde. De hele dag tussen de muziek, ik kon de laatste nieuwe hits volgen en was altijd helemaal mee. De eerste negen jaren huurde ik een winkel in de Peperstraat. Toen zei mijn vader, die nogal handig was, plots dat hij iets wist te koop staan. Goed gelegen, waar er wel nog wat aan moest verbouwd worden. Dat werd dus de winkel en mijn huis in de Sint-Martinusstraat. En daar woon ik nu nog. De combinatie tussen het dj’en en de winkel heb ik volgehouden tot eind 2009 toen ik de winkel sloot.”

Mis je de winkel?
“Kijk, ik zag het aankomen. Het cliënteel verminderde en de muziek en films deden het minder goed door de technologische evoluties en het internet. Ik heb daar altijd een enorm leuke tijd gehad en heb er met veel voldoening een punt achter gezet. Ik wist ook dat ik dj ging blijven en zo tussen de mensen zou blijven komen. Dus ik heb de winkel zonder al te veel emotie kunnen sluiten. Veel mensen zeiden dat het zwarte gat dan wel zou volgen, maar dat is helemaal niet gebeurd. Ik was daar ook niet bang voor. Ik krijg mijn dagen vlot gevuld. Ik heb zelfs de indruk dat de tijd nu nog veel sneller gaat dan toen. Ik fiets veel, wandel af en toe, ik lees al eens een boek, volg veel sporten, kijk al eens graag een avondje televisie,...”

Word je overal herkend in de Kempen?
“Toch redelijk vaak ja. Soms, als ik ga fietsen bijvoorbeeld, dan ben ik 100 meter weg en hebben er al drie getoeterd. Ik vind dat helemaal niet erg. Ik probeer zelf ook altijd een goeiedag te zeggen als ik onderweg iemand tegenkom, zelfs al ken ik de mensen niet. Een goeiedag is snel gezegd. Dat de mensen mij herkennen, dat is niet abnormaal natuurlijk. Zeker als je zoals ik wat meer opvallend bent in je presentatie als dj. Dat blijft wat langer hangen.”

Nooit de ambitie gehad om het hele land te veroveren als dj?
“Niet echt nee, ik ben altijd redelijk dicht bij huis gebleven. Ver rijden, ik heb daar een hekel aan. Ik kreeg wel eens de vraag om bijvoorbeeld aan zee te gaan draaien, maar dan moet je helemaal naar daar en nog eens terug. En dat was ook amper te combineren met de winkel, die ik graag zelf openhield. Dat hoefde voor mij allemaal niet. En het is hier altijd een fuifstreek geweest. Zelfs mensen van andere provincies komen daarvoor naar hier. Ik zit hier heel goed. Er zijn fuiven waar ik al zo’n veertig jaar kom. Daar ben ik ook heel trots op.”

Kim Clijsters en de paus

Zijn er plaatsen waar je het liefst optreedt?
“Tentfuifen en fuiven in openlucht, dat vind ik altijd toch nog iets speciaals. Het Folklorefeest in Retie bijvoorbeeld, tussen de bomen op Het Schijf. Daar genoot ik altijd wel van. Ik ben daar zelfs ooit verkleed als Kim Clijsters en ook eens als de paus komen optreden. Ze hebben me zelfs een keer met een grote hijskraan vanop straat over de bomen vlak voor het podium neergezet. Ze vroegen dan altijd of ik dat zag zitten en of ik dat zou durven. ‘Ik doe dat wel’, was altijd mijn antwoord. Dat hoort er allemaal bij. Het mag al eens wat gekker zijn.”

Wordt het nu iets minder gek, nu je bijna 70 bent?
“Wel, het visuele aspect is bij mij altijd belangrijk geweest. Ik zwaai met mijn armen, ik spring hierop, spring daarop, doe wat gekke dingen,… Vroeger ging dat soms de hele avond door. Nu moet ik toch een beetje doseren. Als ik nu mee de dansvloer op ga dan moet ik al eens sneller afhaken dan ik zou willen. Ik doe mijn best om mij wat meer in te houden, maar soms is het sterker dan mezelf. De aard van het beestje eh. Ook van de aan- en afkondigingen probeer ik altijd iets leuks te maken. Een slogan die me op dat moment te binnen schiet en vaak ook zaken die niks met het liedje zelf te maken hebben. (lacht) Vroeger praatte ik redelijk veel. Dat was ook de invloed van de Hollandse dj’s. Die mannen waren echte kletskousen en lulden behoorlijk wat bijeen. Hier bij ons waren er zelfs die ineens vonden dat het op zijn Hollands moest. Zo’n accent, dat heb ik gelukkig nooit gedaan. Maar die teksten, dat ben ik wel blijven doen. Ik verzon die dan altijd ter plaatse. Een allusie op de dingen die ik zag in de zaal of de mensen die ik kende. Dat contact met het publiek is heel belangrijk voor mij. Je werkt samen aan een gezellig feestje.”

Hoe lang blijf je nog als dj actief?
“Plaatjes draaien is één van de leukste dingen die je kan doen als je van muziek houdt en als je tussen de mensen wil zijn. Als de gedrevenheid er is en de muziek blijft je aanspreken, dan kan je onmogelijk zeggen hoe lang je het nog gaat doen. Ik heb een paar jaar geleden de teller wel wat minder gezet, maar ik ga zeker niet verder afbouwen. Dit ritme kan ik wel volhouden. Het is een heel leuke wereld om in te vertoeven. En het is altijd geweldig als je beseft dat je veel mensen kent. Mensen zijn interessante wezens. De ene komt dit vertellen, de andere dat. Geweldig toch? Ik ben een sociaal wezen en dat zal altijd zo blijven.”

Tekst: Bert Huysmans
Foto’s: Bart Van der Moeren


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*