Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

Joël Smets staat de jonge crosstalenten bij

DESSEL/LOMMEL – Dynamischer dan een konijn waar een bepaald merk van batterijen in aangebracht zijn en meer welbespraakt dan de beste advocaten, dat is Joël Smets ten voeten uit. Net zoals hij in zijn topsportjaren was. Pure reclame voor alles wat goed menend bedoeld is ook, als hij in een Limburgse KMO-zone voor ons beiden ochtendkoffie zet. In een kop van KTM, of wat had je hier anders verwacht?

Het palmares van Joël Smets is ronduit indrukwekkend. Het begon toen hij als 17-jarige van zijn oom een crossmotor onder zijn rusteloze gat kreeg. Toen hij in 2006 de competitieve strijd staakte, stonden er 57 GP-overwinningen, vijf wereldtitels en zes Belgische kampioenenmedailles op zijn naam. Maar omdat hij niet uit een sport komt waarbij je na twee weken al zou kunnen rentenieren, smijt hij zich vol overtuiging in zijn huidige job: ‘motorcross sports director’. Met de drive die hem zo typeert en die hem ook de nodige airmiles oplevert. Maar evengoed zet hij ’s morgens dochterlief af aan de school, nog voor hij ondergetekende te woord staat. En tussendoor is hij beroepshalve ook erg actief bij de voorbereiding van een nieuwe crossmotor voor het seizoen 2019.

Motorcross Sports Director... Wat stel ik me daar bij voor?
“Je kan dat vergelijken met een sportdirecteur in het wielrennen. Ik plan de stages voor de crossers, maak de planning voor de winter op, houd me mee bezig met hun fysieke voorbereiding,… Tijdens de crossweekends ben ik er voor de tactische bespreking, ik help bij het afstellen van de motoren. Uiteraard ben ik aanwezig op de motortrainingen. Zo gaan we deze namiddag nog trainen in Veldhoven. Je kan me een beetje beschouwen als de link tussen de trainingswerkplaats hier en de fabriek in Oostenrijk. Het is plezant om met jonge gasten te werken. Die kun je nog veel meegeven. Maar soms is less ook more, ze moeten sommige zaken zelf ondervinden.”

Naar een kampioen als jij kijken ze toch allemaal op?
“Over respect ga ik zeker niet klagen. Maar de jongeren worden sowieso mondiger. Ik durfde indertijd maar amper gewoon kijken naar iemand als Roger De Coster of Eric Geboers. Dat is veranderd. Nu pakken ze iemand als Cairoli bij de arm en vragen zijn truitje. Dus als ik tijdens een wedstrijdweekend opmerkingen maak tegen de rijders dan moet het er wel van de eerste keer boenk op zijn.”

Doet de Joël Smets van vandaag zelf nog aan sport? Want jij was altijd een sporter met veel grinta.
“Sporten heb ik eigenlijk altijd veel gedaan. Ik denk dat elke sport wel de revue gepasseerd is. Dat was ook niet moeilijk want mijn ouderlijk huis in Dessel-Witgoor was één grote speeltuin. In de bossen en de zandduinen achter ons huis had ik een heel circuit aangelegd. Naast ons huis was het kanaal Dessel-Schoten. Dus zwemmen was ook geen probleem. Als ik baantjes wilde trekken, moest ik wel doorzwemmen tot het eerste sas, ergens in Rijkevorsel. (lacht) Tegen een boom in de tuin hing een basketbalring en tussen twee andere bomen was een volleybalnet gespannen. Mijn jeugd was eigenlijk één Club Med in hotel Mama. Ik tennis bijvoorbeeld graag, maar mijn twee knieën hebben veel geleden, dus het doet al pijn als ik speel en achteraf nog meer. Af en toe ga ik naar de fitness maar dat is binnen en ik ben meer gemaakt om buiten te zijn. Wat ik wel graag nog eens doe, is met de mannen mee gaan fietsen met de koersfiets of de mountainbike. Maar de tijd dat ik ze allemaal uit het wiel reed, dat is voorbij, ik oefen te weinig. Dus ga ik achteraan hangen om van die typische kuren uit te halen. Roepen dat ze linksaf moeten draaien en dan zelf lachend rechtdoor rijden en een spurtje trekken. Niet zo heel lang geleden ben ik nog eens met de bmx gaan rijden (op het parcours in Dessel dat zijn naam draagt, nvdr.). Val ik toch niet, zeker. Eén van de drie pezen in mijn biceps afgescheurd. Ik hoef niet onder het mes, ’t zal zo wel genezen. En dan bedenken dat ik in mijn carrière als crosser relatief weinig breuken en andere kwetsuren opgelopen heb.”

Je herhaalt vaak dat het aantal mogelijkheden om crossers te laten trainen bij ons beperkt is.
“Klopt. Daar is de ruimtelijke structuur in ons land mee schuldig aan. Ons landje is al niet groot, maar je merkt dat elke belangengroep op zijn strepen gaat staan als er een open plek moet ingevuld worden. Bedrijven hebben ruimte nodig, natuurverenigingen eisen hun rechten op, landbouwers evenzeer, de jagers willen buiten komen… en poot daar dan nog eens crossparcours tussen. Dat is geen voetbalplein, eh. Dat is een paar keer groter en ja, je hoort dat. Weer een probleem. En dan zitten we hier, in een straal van een uurtje rijden, nog relatief comfortabel. Lommel heeft nog een circuit, er is het Honda park in Balen, Genk heeft een parcours. In Nederland kan er in Valkenswaard op bepaalde uren getraind worden en straks gaan wij naar Veldhoven.”

Jij was, met nadruk op de verleden tijd, ook de bondscoach van de Belgische crossers?
“Inderdaad. Elf jaar geleden trad ik in de voetsporen van de legendarische Joël Robert al promotor van de Belgische ploeg. Dat paste indertijd perfect in mijn visie van reconversie. Ik had een halftijdse job, dus tijd om zaken te doen waarvan ik indertijd dacht ‘zou dat niet beter kunnen?’ Ik droomde van één overkoepelende en professioneel gestructureerde federatie, door de overheid ondersteund, net als in veel andere sporten. Het besef dat die ideale wereld er niet aankomt deed me afhaken. Bovendien vragen een actieve tienerdochter en een zoon die af en toe crost ook de nodige aandacht. Verder vindt mijn vrouw het niet erg dat ik eens een dag extra thuis ben. Met onze werkgroep ‘Red de motorcross’ zijn we vijf jaar geleden gestart met een boomplantactie. Zo hebben we onder andere in Balen-Hulsen al aanplantingen gedaan. En op 14 november zijn we gestart in provinciaal domein Puyenbroek in Wachtebeke. De aankopen betalen we zelf, het werk doen we ook. Daar rijden we naar het Joël Smets-bos voor de nodige uitleg en duiding. Dan planten we het bos Stermeersdreef aan. En onthullen we ook een Stefan Everts-bord. Puyenbroek zorgt dat er al twee fikse bomen klaar staan, de rest is voor ons.”

Maar ik heb de indruk dat je zelfgekozen afscheid als bondscoach zwaar op maag ligt. Jij had je dat best wel anders, veel positiever, voorgesteld. Toch?
“Ja! Ik heb dat altijd bijzonder gevonden, dat rijden als team. Voor je land, geen individuele sporters tegen mekaar, maar er samen voor gaan. De motorcross der naties heeft 22 jaar (als rijder en als teammanager, nvdr.) met een vette stip in mijn agenda gestaan. Ik zal even citeren uit de mail die ik naar de rijders en de teamleden gestuurd heb: ‘Vermits we de laatste editie in Groot-Brittannië aan de slag waren, kan ik best met een Engelse quote beginnen. Another year has gone by again. Pasta hoort bij Italië, kaas bij Holland en de rijzende zon bij China. In Engeland, daar hoort regen bij. Dus een evenement organiseren waarbij je weet dat rubberlaarzen en paraplu overuren zullen draaien, het getuigt van veel doorzettingsvermogen en mentale weerbaarheid. Onze rijders deden hun stinkende best om een gooi naar het podium te doen. We wisten dat de concurrentie niet van de poes was. De vierde plek die we behaalden was een correcte weergave van de waardeverhoudingen.’ Maar mijn droom van één overkoepelende en professioneel gestructureerde federatie, gesteund door de overheid, is nooit uitgekomen. Het besef dat die ideale wereld na meer dan tien jaar nog steeds niet voor morgen is, stemt me droevig. Het ondermijnt mijn geloof in een bloeiende toekomst voor motorcross in België.”

Rentenieren zit er voor jou nog niet meteen in. Doortrekken tot je 67?
“Tja, ik ben er bijna 50 en ik doe mijn werk nog graag. Maar ik woon op een erg mooie plek, met mijn gat in de natuur, we hebben ne schonen hof en daar geniet ik te weinig van. Ik weet het echt niet, maar ik werk ook nog graag. Daar zitten nogal wat airmiles bij, maar dat neem ik er graag bij, al kan ik nergens de regelrechte toerist uithangen. Ik geniet al wel met volle teugen als ik in Argentinië tijdens de GP landschappen kan bekijken die ik anders nooit zou zien. Maar tegen dat ik 67 ben, zal ’t waarschijnlijk tot 75 werken zijn.”

Tekst: Jef Aerts
Foto’s: Bart Van der Moeren


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*