Ga naar inhoud
Onderox
Terug naar overzicht

“Ik heb mijn doodsangst van me af geschreven”

TURNHOUT – Walter van den Broeck vierde onlangs zijn 76e verjaardag. De Turnhoutse schrijver van literair erfgoed zoals Groenten uit Balen en Brief aan Boudewijn levert ook na zijn pensioen met de regelmaat van een tweejaarlijkse klok een nieuw werkstuk af. In De babyboomboogie schetst hij een beeld van zijn “gelukkige generatie”.

De gangen en de twee werkkamers in het huis van Walter van den Broeck zijn afgelijnd met muurhoge kasten vol boeken. “Isoleert goed, hoor”, grapt de Turnhoutse auteur. Onlangs stelde hij ‘De babyboomboogie’ voor, geïnspireerd door zijn hogere studies tot leerkracht in de gouden jaren zestig aan de normaalschool in Lier. Voor het interview nestelen we ons in zijn bureau boven.

Weet u nog wat de aanleiding was om te beginnen schrijven?
“Ik ben altijd dol geweest op verhalen, vanaf mijn acht jaar begon ik er ook zelf te maken. Mijn vriendjes vonden mijn eerste schrijfsels niet ‘echt’ omdat ze niet gedrukt waren. Toen ik van Sinterklaas een drukkersset kreeg, begon ik dan ook vol goede moed aan mijn eerste boek. Het eerste wat ik drukte, was ‘kceorB ned nav retlaW’, meteen mijn eerste les in de typografie (lacht). Later kocht ik op een veiling een echte oude Remington schrijfmachine, die door mijn ouders opgekalefaterd werd. Mijn eerste honorarium kreeg ik als winnaar van een radiowedstrijd waarbij je het vervolg moest schrijven op een hoorspel. 200 frank (5 euro, red), waar nog belastingen van af gingen - toen al, ja. (lacht)”

Toen vorig jaar De vreemdelinge verscheen, zei u dat dat uw laatste boek was. Nu verschijnt er alsnog De babyboomboogie.
“In De vreemdelinge staat alles wat ik over de zin van het leven te vertellen heb. Wie mijn boeken thuis op de plank heeft staan, zou dat vanachter moeten zetten en al de rest ervoor. De babyboomboogie is voorlopig dus het voorlaatste. Wat er nu nog komt, weet ik niet. Ik heb geen haast meer om achter de zin van het leven te komen, dat heb ik al in mijn laatste boek gedaan.”

Aan ons kan u het dan wel verklappen: wat is de zin van het leven?
“We zijn hier om een tamelijk banale reden. Van in onze jeugd zijn we opgezadeld met de onzin dat er een leven na dit leven is. Als we deugdzaam zouden zijn op aarde, zouden we in de hemel rijstpap met gouden lepeltjes krijgen, anders ging je de hel in. Nu heb ik nooit zo van rijstpap gehouden dus ik vond dat alles wel overwogen al niet zo’n geweldige beloning.” “In De vreemdelinge legt een studente uit dat alles wat in de kosmos rondslingert, op zoek is naar stabiliteit. Op deze planeet is er plots per vergissing een molecule ontstaan die onstabiel is. De enige manier waarop die levensvorm kan blijven bestaan, is zich voortplanten. In principe worden we overbodig als we lang genoeg leven om voor een nageslacht te zorgen. Het verschil met de dieren is dat er bij ons een bewustzijn ontstaan is waardoor we gevoelens hebben gekregen en van het leven zijn gaan houden. Een hond vraagt zich niet af hoelang hij nog te gaan heeft. Dat maakt dat afscheid nemen zo’n verdriet doet. Ik heb me door die doodsangst heen geschreven in mijn vorige boek.”

Hoe heeft u dat gedaan?
“Als je schrijft, ben je niet hier maar in het boek. Als je leest, is dat net hetzelfde. Lichamelijk zit je thuis in je fauteuil maar je geest is ergens helemaal anders. Op de heetste dag van het jaar was ik een passage aan het schrijven die zich afspeelde tijdens een barre winter. Toen ik beneden kwam, heb ik de thermostaat hoger gezet. Ik zat met mijn hoofd nog in de zestiende eeuw. Voor een ander verhaal had ik een bepaalde noot op de piano hier beneden in de hal nodig om in de juiste sfeer te geraken. In essentie onderscheidt een schrijver zich niet van een boer of een sportman. Zolang je bezig bent, denk je niet aan het einde van je leven.”

In tegenstelling tot de boer en de sportman heeft de schrijver wel inspiratie nodig.
“Ik heb nooit een writer’s block gehad. Lang weekend, mijn eerste boek, begint met het hoofdpersonage dat drie dagen vakantie voor de boeg heeft. ‘Nu ben ik eens benieuwd wat er gaat komen’, dacht ik bij mijzelf nadat ik dat had geschreven. (lacht) Het ene woord brengt het andere mee en zo kom je uiteindelijk aan driehonderd bladzijdes. Soms ben ik aan vier boeken tegelijkertijd bezig en ben ik bang dat er straks één is dat voorrang opeist waardoor ik de drie andere voorlopig moet laten liggen. Kladjes schrijf ik nog steeds uit met potlood, er is geen snellere manier om zinnen te schrappen of te verplaatsen. Aan een drietal potloden per boek krijg je al snel heel wat potloodstompjes bij elkaar (lacht). Ik heb vanalles geschreven maar nooit iets tegen mijn zin of op verzoek en altijd met het nodige plezier én de nodige ernst.”

Een constante in uw oeuvre is dat de verhalen bij uzelf beginnen.
“In mijn boek ‘Aantekeningen van een stambewaarder’ heb ik mijn familiegeschiedenis uit de doeken gedaan. Decennialang waren de van den Broecks honkvaste Tielenaars voor wie een tijdelijke verhuis naar Lichtaart gelijk stond aan een regelrechte emigratie. Mijn betovergrootvader en overgrootvader waren schoenmaker en kleermaker. Toen zij kort na elkaar stierven, was mijn grootvader als toekomstig missionaris zijn humaniora aan het doen in het Engelse Birmingham. Hij heeft dan drie jaar gewerkt op een zeilschip en is nog getrouwd op de Filipijnen. Voor de van den Broecks gaat de zon nooit onder. Ik heb verre familieleden op de Filipijnen en mijn oudere broer woont in Mexico.”

Ook voor ‘De babyboomboogie’ kon u te rade gaan in uw eigen verleden.
“Dit boek is er gekomen door een stom toeval. Ik kreeg de vraag van de voorzitter van de oud-studentenbond van de normaalschool in Lier, waar ik geleerd heb voor leerkracht Nederlands en geschiedenis. Het was veertig jaar geleden dat mijn lichting was afgezwaaid en om iedereen nog eens bijeen te krijgen, zocht hij nog enkele adressen. Op een dag kreeg ik telefoon van mijn vroegere studiegenoot Ronny, die wist dat ik op zoek was naar de gegevens van Eddy. Hij deed me de hele levensloop van Eddy uit de doeken, tot en met zijn overlijden. Met ‘De babyboomboogie’ heb ik een roman geschreven, fictie dus, maar dat verhaal speelde ondertussen wel in mijn achterhoofd.”

“Vroeger heb ik inderdaad geschreven over mijn jeugd, mijn familie, mijn voorouders. Met ‘De babyboomboogie’ wil ik een beeld geven van mijn gouden generatie. De meeste van ons zijn na de oorlog geboren en met een beetje geluk voor de volgende dood. Wij hebben die smerige oorlogen dus nooit aan den lijve moeten ondervinden. Op de wereldtentoonstelling in 1958 werden de eerste ruimtetuigen en de eerste computer, kortom werd de toekomst getoond. Ik ben er drie keer met de trein naartoe geweest, de eerste auto kwam pas later. Als er in de jaren zestig al gefulmineerd werd tegen rokende leerlingen op school, was het omwille van de peuken op de grond. In cafés klonk er prachtige muziek uit de jukeboxen. Dat soort details wou ik meegeven in dit boek.”

Waarom siert Brigitte Bardot de cover?
“Zij was toen dé seksbom, een icoon van haar tijd. Ze speelde in tamelijk aangebrande films met titels zoals ‘Et Dieu créa la femme’ maar de mensen stonden wel in rijen aan te schuiven aan de zalen. Tegelijk staat ze symbool voor de ontluikende seksualiteit. Robbe de Hert heeft ooit een anekdote verteld die mij ook overkomen is. In Herentals waren er toen nog drie bioscopen en bij alle drie was er een stormloop. Het gerucht deed namelijk de ronde dat in een film een blote borst te zien was. Bleek dat het gewoon ging om een vrouw die aan het telefoneren was in haar kamerjas, die naar beneden gleed maar die ze terug dicht deed voor er kwaad kon geschieden. Zo weinig was er dus te zien maar we waren er wel door geobsedeerd.”

U bent onlangs 76 geworden, wat brengt de toekomst nog?
“Ik ben aan een volgend project bezig maar je weet nooit op voorhand hoe groot dat zal worden. Van mijn theaterstuk Groenten uit Balen dacht ik dat het vijftien keer gespeeld zou worden en daarna weer opgeborgen kon worden. Ondertussen is het meer dan duizend keer opgevoerd en zijn er twee televisieproducties, een hoorspel en een langspeelfilm van gemaakt. Dat kun je niet voorzien. Aan een project zoals Het beleg van Laken, waaraan ik tien jaar gewerkt heb (en dat vier romans telt, red), ga ik niet meer beginnen. Maar korte verhalen zijn weer erg populair en daar ben je zo mee klaar.”

Tekst: Wouter Adriaensen
Foto’s: Bart Van der Moeren


Reactie toevoegen

Velden met een * zijn verplicht.

Onderox?*